Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Racupack
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 augustus 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:6011

X/Racupack

Kan werkgever de werknemer aan een non-concurrentiebeding houden, nadat de arbeidsovereenkomst is ontbonden met vergoeding C=2,36? Geen analoge werking van artikel 7:653 lid 3 BW. Matiging duur concurrentiebeding tot 1 jaar

Werknemer is van 14 april 1999 tot 1 november 2006 bij Racupack in dienst geweest als verkoper buitendienst. Deze arbeidsovereenkomst is indertijd door werknemer opgezegd. Met ingang van 1 februari 2009 is werknemer opnieuw bij Racupack in dienst getreden in de functie van sales manager. In de tussen werknemer en Racupack gesloten arbeidsovereenkomst is in artikel 7 een non-concurrentiebeding opgenomen. Bij beschikking van 9 juli 2012 heeft de kantonrechter te Den Bosch de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 augustus 2012 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 45.000 aan werknemer. Deze vergoeding is berekend op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor van 2,36. Werknemer heeft vervolgens een eigen bedrijf opgericht. De centrale vraag is of werknemer nog gebonden is aan het concurrentiebeding. Werknemer stelt dat in casu artikel 7:653 lid 3 BW naar analogie moet worden toegepast.

Het hof oordeelt als volgt. Artikel 7:653 lid 3 BW bepaalt dat een werkgever geen rechten aan een non-concurrentiebeding kan ontlenen indien hij wegens de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd schadeplichtig is. Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst van werknemer is geëindigd wegens gewichtige redenen in de zin van veranderingen in de omstandigheden. Deze situatie wordt niet genoemd in artikel 7:677 BW, waarin het schadeplichtig ontslag is geregeld, zodat werknemer strikt genomen op grond van artikel 7:653 lid 3 BW in samenhang met artikel 7:677 BW niet is ontslagen uit het non-concurrentiebeding. De vraag rijst of, zoals werknemer heeft aangevoerd, in dit geval analoge toepassing van artikel 7:653 lid 3 BW aan de orde is. Naar het oordeel van het hof kan in bijzondere gevallen plaats zijn voor een dergelijke analoge toepassing. De omstandigheid dat Racupack, zoals werknemer heeft aangevoerd, op oneigenlijke gronden de ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht en de kantonrechter te Den Bosch de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden en Racupack heeft veroordeeld aan werknemer een vergoeding van € 45.000 te betalen, is echter geen omstandigheid op grond waarvan artikel 7:653 lid 3 BW analoog zou moeten worden toegepast.

Het hof schorst het non-concurrentiebeding echter voor zover het de duur van één jaar te boven gaat. Daartoe geldt het volgende. Hoewel werknemer van 1 februari 2009 tot 1 augustus 2012 bij Racupack in dienst is geweest, heeft het dienstverband wegens uitval door ziekte van werknemer (burn-out van medio 2009 tot en met januari 2011 gevolgd door een uitval in april 2012 wegens spanningsklachten tot einde dienstverband) feitelijk ongeveer 1,5 jaar geduurd. Het hof acht het met het oog hierop zeer waarschijnlijk dat de rechter in een bodemprocedure het door partijen overeengekomen non-concurrentiebeding gedeeltelijk zal vernietigen en wel zó, dat de duur waarvoor het beding is overeengekomen (te weten twee jaar) wordt teruggebracht naar maximaal één jaar. Het hof is voorshands van oordeel dat werknemer in verhouding tot het te beschermen belang van Racupack onbillijk wordt benadeeld door een non-concurrentiebeding dat de duur van één jaar te boven gaat.