Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 oktober 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:7363

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf/werkgever

In beginsel rust op het Bedrijfstakpensioenfonds de bewijslast aan te tonen dat werkgever onder werkingssfeer Verplichtstellingsbesluit valt. Indien gegevens waarover enkel de werkgever beschikt, beslissend zijn, kan werkgever niet volstaan met blote ontkenning maar dient hij te motiveren aan de hand van dergelijke stukken. Uitleg werkingssfeerbepaling Bedrijfstakpensioenregeling voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf

Vanaf 1 januari 1999 tot 27 juni 2008 hebben X en zijn zoon als vennoten een (klussen)bedrijf uitgeoefend, waarin geen andere werknemers werkzaam waren. De bedrijfsomschrijving in het handelsregister luidde: ‘Het verrichten van kleine reparaties en onderhoudswerkzaamheden t.b.v. derden. Schilderwerk.’ Vanaf 1 januari 2006 ontvangt X nota's van het Bedrijfstakpensioenfonds. X heeft bezwaar gemaakt tegen de nota’s omdat hij meent dat de bedrijfsactiviteiten van het klusbedrijf niet onder de verplichtstelling van het Bedrijfstakpensioenfonds vallen. Het Bedrijfstakpensioenfonds heeft op 20 juli 2011 een dwangbevel uitgevaardigd tegen X in verband met door het klusbedrijf onbetaald gelaten pensioenpremies vanaf 1 januari 2007 tot 27 juni 2008 ter hoogte van € 6.049. De centrale vraag is of X onder de reikwijdte van het litigieuze Bedrijfstakpensioenfonds viel.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof deelt het uitgangspunt van de kantonrechter dat het op de weg van het pensioenfonds ligt om voldoende feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat X als vennoot van het klusbedrijf verplicht diende deel te nemen aan het fonds en daarom de premienota’s diende te betalen. Dat ligt echter anders wanneer komt vast te staan dat X akkoord is gegaan met aansluiting vanaf 1 januari 2006, zoals het fonds heeft aangeboden te bewijzen. In dat geval had X, als hij later tot de conclusie zou zijn gekomen dat hij, c.q. X, kon worden uitgeschreven, desgevraagd met bewijs moeten komen dat van verplichte deelneming geen sprake (meer) was. Indien niet komt vast te staan dat X akkoord ging met de aansluiting, maar het Bedrijfstakpensioenfonds voldoende heeft onderbouwd waarom het meent dat hij verplicht diende deel te nemen, kan X in een geval als dit, waarbij gegevens beslissend zijn die zich uitsluitend in zijn domein bevinden en die niet toegankelijk zijn voor het fonds, niet volstaan met een blote ontkenning, maar dient hij zijn verweer te motiveren aan de hand van dergelijke gegevens.

Het hof stelt voorts vast dat de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioen ziet op de situatie ‘wanneer er uitsluitend of in hoofdzaak schilders werkzaam zijn’. Het hof acht niet aannemelijk dat in dit geval geoordeeld kan worden dat er in hoofdzaak (meer dan 50%) schilders werkzaam waren binnen het bedrijf. Omdat het Bedrijfstakpensioenfonds onvoldoende terzake heeft gesteld, wordt de zaak aangehouden.