Rechtspraak
WJ-HVH Holding/werknemers
Op 4 juli 2012 is tussen de heer en mevrouw H als verkopers en X Jolink Holding B.V. (thans WJ-HVH Holding) als koper een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de door verkopers in VOF-verband uitgeoefende onderneming ‘Bakkerij H’. In de koopovereenkomst is bepaald dat alle werknemers de mogelijkheid krijgen bij WJ-HVH in dienst te treden, doch dat bestaande rechten en plichten niet worden overgenomen. Werknemers hebben zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat vanwege de overdracht op 4 juli 2012 van Bakkerij H aan WJ-HVH Holding, de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst die zij met Bakkerij H hadden van rechtswege op WJ-HVH Holding zijn overgegaan wegens overgang van onderneming. Uit dien hoofde hebben zij gevorderd WJ-HVH Holding onder meer te veroordelen tot wedertewerkstelling van alle werknemers en betaling van het achterstallige loon, de gemaakte overuren en de vakantiebijslag. WJ-HVH Holding heeft zich op het standpunt gesteld dat zij met H een opschortende voorwaarde is overeengekomen (inhoudende dat H op 5 juli 2012 haar eigen faillissement zou aanvragen) en dat de overeenkomst door het niet intreden van deze voorwaarde niet tot stand is gekomen, subsidiair dat zij de overeenkomst met H wegens dwaling heeft vernietigd en meest subsidiair dat zij de overeenkomst met H heeft ontbonden. De kantonrechter heeft bovenvermelde verweren van WJ-HVH Holding niet gehonoreerd.
Het hof oordeelt als volgt. Naar het voorlopig oordeel van het hof dient in dit kort geding van een terugovergang van de onderneming van Bakkerij H te worden uitgegaan, met als gevolg dat (ingevolge art. 7:662 e.v. BW) werknemers met ingang van 25 juli 2012 wederom in dienst van Bakkerij H waren. Beslissend is niet of voorafgaand aan de ontbinding (per 25 juli 2012) van de tussen WJ-HVH Holding en H gesloten koopovereenkomst van 4 juli 2012 H op een correcte wijze in verzuim is geraakt, maar doorslaggevend is of in het kader van deze ontbinding een terugovergang van de onderneming van Bakkerij H heeft plaatsgevonden. Daarvoor zijn, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (onder meer HvJ EG 17 december 1987, 287/86, NJ 1989, 674 (Denemarken/Ny Mølle Kro)) alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken van belang. In de onderhavige zaak acht het hof voor het voorshands gegeven oordeel dat sprake is van een retro-overgang van belang dat WJ-HVH Holding op 25 juli 2012 de vier vestigingen van Bakkerij H heeft gesloten, de activiteiten daarin heeft gestaakt en de sleutels bij H heeft ingeleverd, terwijl niet is gebleken dat H zich tegen deze gang van zaken waardoor hij dus weer de feitelijke macht over alle bedrijfsbestanddelen kreeg, heeft verzet. Verder is van belang dat de curator in het faillissement van Bakkerij H de terugovergang (stilzwijgend) heeft aanvaard door tot opzegging van de arbeidsovereenkomsten (voor zover vereist) over te gaan en door zich als rechthebbende op de activa (te weten de machines, installaties, winkel- en kantoorinventaris) en de ondernemingsactiviteiten van Bakkerij H te gedragen door deze te koop aan te bieden en ook daadwerkelijk te verkopen en te leveren. Dit blijkt onder meer uit hetgeen in het tweede faillissementsverslag van 14 december 2012 is opgenomen, waaruit volgt dat naast de activa ook voor goodwill is betaald. Hieruit volgt in ieder geval dat ten tijde van het faillissement van Bakkerij H de activa en de ondernemingsactiviteiten zich bij H en niet meer bij WJ-HVH Holding bevonden, hetgeen een aanwijzing oplevert dat sprake is van retro-overgang. Dat de bedrijfsactiviteiten door H noch door de curator zijn hervat in de korte periode van 26 juli 2012 tot overdracht van de activiteiten, doet hieraan gelet op hetgeen hiervoor over de feitelijke gang van zaken is overwogen, onvoldoende af. Dit betekent dat WJ-HVH Holding in het kader van dit kort geding voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een retro-overgang van Bakkerij H.