Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ABN AMRO
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 maart 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:3429

werknemer/ABN AMRO

Adviescommissie ABN AMRO-cao is niet partijdig. Lange duur op schrift stellen van reeds mondeling gegeven arbitraal vonnis is niet in strijd met openbare orde

Werknemer was vanaf 1 november 1989 werknemer van ABN AMRO. In verband met een overgang van onderneming is werknemer per 1 november 2005 van rechtswege in dienst getreden bij IBM Nederland N.V. (hierna: IBM). Met ingang van 1 september 2007 is de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en IBM ontbonden door de kantonrechter onder toekenning van een vergoeding aan werknemer van € 125.000 bruto. Werknemer wilde vervolgens wederom in dienst treden bij ABN AMRO en deed hiertoe tegenover ABN AMRO een beroep op een daartoe strekkende regeling (de ‘terugkeergarantie’) in de toepasselijke cao van ABN AMRO. Daarop is door ABN AMRO negatief beslist. Werknemer heeft overeenkomstig de cao hiertegen bezwaar gemaakt bij de in de cao daartoe aangewezen Adviescommissie en vervolgens bij deze commissie tegen ABN AMRO een (arbitrage)procedure gevoerd. De Adviescommissie heeft de klachten van werknemer mondeling afgewezen in 2007 en op schrift gemotiveerd afgewezen begin 2009. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een geldig arbitragebeding zodat werknemer aan de inhoud ervan gebonden is. De lange duur van de procedure is niet in strijd met artikel 6 EVRM.

Het hof oordeelt als volgt. De stelling van werknemer dat de lange duur van het op schrift stellen van het arbitrale vonnis in strijd is met de openbare orde faalt. Niet in geschil is dat op 22 oktober 2007, vlak na de mondelinge behandeling op 16 (dan wel 18) oktober 2007 van de klachten van werknemer, aan partijen de uitspraak van de Adviescommissie is meegedeeld. In zoverre gaat werknemer er in de toelichting op zijn grieven aan voorbij dat hij reeds binnen zeer korte tijd op de hoogte was van de uitkomst van de door hem aangespannen arbitrageprocedure en er voor hem als zodanig geen sprake meer was van een onduidelijke of onzekere rechtspositie. Wat er verder zij van de vertraging tussen enerzijds het moment van de mondelinge behandeling en de mondeling gegeven uitspraak en anderzijds het moment van het op schrift afgegeven arbitraal vonnis, het hof is van oordeel dat die enkele vertraging in de uitwerking van de reeds mondeling gegeven beslissing, waarmee klaarblijkelijk ook de termijn in het eigen reglement van de Adviescommissie is geschonden, niet kan leiden tot vernietiging van het arbitraal vonnis wegens strijd met de openbare orde of de goede zeden (art. 1065 lid 1 sub e Rv). Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat uit de rechtspraak volgt dat de rechtsgevolgen van een schending van een redelijke termijn niet verder gaan dan compensatie van de ondervonden gevoelens van spanning en frustratie veroorzaakt door het tijdsverloop. Verder is het hof van oordeel dat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of een arbitraal vonnis in strijd is met openbare orde op de grond dat arbiters niet onpartijdig en onafhankelijk zouden zijn, de juiste maatstaf heeft toegepast zoals die te kennen is uit het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1994, NJ 1994, 765. Voor een minder strenge maatstaf die rekening houdt met het beschermende karakter van het Nederlands arbeidsrecht, zoals voorgestaan door werknemer, is geen steun in de wet of jurisprudentie te vinden. Daarbij merkt het hof op dat bij de samenstelling van de Adviescommissie kennelijk reeds rekening is gehouden met het door werknemer bepleite beschermingskarakter. Immers uit artikel 1 van het reglement van de Adviescommissie blijkt dat de Adviescommissie is samengesteld uit een onafhankelijke voorzitter, die in overleg tussen de cao-partijen wordt benoemd, en vier leden, waarvan twee leden worden benoemd door ABN AMRO en twee door de vakbonden. Het hof kan werknemer dan ook niet volgen in zijn betoog dat geen sprake is van een onafhankelijke, onpartijdige dan wel onevenwichtig samengestelde Adviescommissie, nu slechts twee leden ervan in dienst waren bij ABN AMRO. Dat een van de andere leden voor de CNV Dienstenbond betrokken is geweest bij de totstandkoming van de ABN AMRO-cao leidt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet tot een ander oordeel.

De incidentele grief van ABN AMRO slaagt. Het bestaan van het arbitragebeding had ertoe moeten leiden dat de rechtbank zich onbevoegd verklaarde (art. 1022 Rv).