Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 augustus 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:2513
werknemers/ABN AMRO
Ex-werknemers van (de rechtvoorganger van) ABN AMRO waren tot 1 januari 2006 collectief verzekerd voor ziektekosten waarbij de werkgever voor 60% in de kosten bijdroeg. Op 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet (verder: Zvw) van kracht geworden. Bij brief van 28 juni 2006 heeft FBN aan alle post-actieven meegedeeld dat de regeling werkgeversbijdrage ziektekostenverzekering geleidelijk zou worden afgebouwd. Voor personen van 65 jaar en ouder zou de regeling in vier jaar afgebouwd worden van 100% naar nul. In 2007 is een verbeterde overgangsregeling voorgesteld die door ruim 92% van de post-actieven is geaccepteerd. De gepensioneerden hebben in eerste aanleg gesteld, kort gezegd, dat de bank contractueel gehouden is de regeling ter zake de bijdrage in de ziektekosten levenslang en onvoorwaardelijk op hen toe te passen. Die verplichting is gedurende hun dienstverband, althans het dienstverband van hun echtgenoot, ontstaan doordat de bank gedurende een zeer lange periode een bijdrage in de ziektekosten heeft betaald, zodat dit een bestendige gedragslijn is geworden. De gepensioneerden mochten erop vertrouwen dat de bank hen die regeling levenslang en onvoorwaardelijk had aangeboden. Zij hebben dat aanbod aanvaard en daarmee is een overeenkomst tot stand gekomen. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. De overeenkomst die volgens de gepensioneerden tot stand is gekomen houdt in, zo leidt het hof uit hun stellingen en uit de formulering van hun vorderingen af, dat zij een levenslang en onvoorwaardelijk recht hebben op een maandelijkse bijdrage van de bank in de kosten van hun ziekteverzekering, ter hoogte van de door hen gevorderde bedragen. Het hof is van oordeel dat het te ver voert om uit de enkele maandelijkse betaling tot 2006 van de werkgeversbijdrage, ook al is deze bestendig en aan alle gepensioneerden gedaan, de conclusie te trekken dat de bank heeft aangeboden die vergoeding onvoorwaardelijk (kennelijk bedoelen de gepensioneerden: ook bij gewijzigde omstandigheden) en levenslang voort te zetten. Uit die betalingen kan niet worden afgeleid dat de bank beoogde een zo verstrekkende overeenkomst aan te gaan. De gepensioneerden hebben voorts aan de enkele omstandigheid dat de bank de werkgeversbijdrage betaalde niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat de bank die bijdrage ook bij gewijzigde omstandigheden en levenslang aan hen zou betalen. Voor het aannemen van een gerechtvaardigd vertrouwen op een levenslange bijdrage zijn evenmin voldoende bijkomende omstandigheden aangevoerd. Daartoe zijn in elk geval onvoldoende de omstandigheden die de gepensioneerden in hun inleidende dagvaardingen hebben genoemd. Deze omstandigheden komen er in essentie op neer dat de bank tot 2006 jarenlang en zonder daaraan nadere voorwaarden te stellen aan alle post-actieven de bijdrage heeft betaald en dat de gepensioneerden daarmee bekend waren. Dat voegt onvoldoende toe aan het enkel betalen van de bijdrage door de bank aan de gepensioneerden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een aanbod van de bank zoals door de gepensioneerden gesteld. Er is dan ook geen overeenkomst tot stand gekomen inhoudende dat de gepensioneerden onvoorwaardelijk en levenslang recht hebben op een werkgeversbijdrage in de ziektekosten. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de gepensioneerden dat zij met de bank geen eenzijdig wijzigingsbeding zijn overeengekomen. Nu het bestaan van de gestelde overeenkomst niet wordt aangenomen, is niet van belang of overeengekomen is dat die eenzijdig gewijzigd kan worden. Op dezelfde grond gaat het hof voorbij aan de stelling van de gepensioneerden dat de bank de regeling slechts buiten toepassing kan verklaren indien de gevolgen daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Voorts acht het hof de overgangsregeling – mede in het licht van de lagere inkomensafhankelijk bijdrage voor ex-werknemers en flankerend beleid in koopkrachtregelingen voor hen – voldoende redelijk.