Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 31 december 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:9954
wernemers/werkgever
Werknemers zijn van 2001 tot 2010 in dienst geweest van werkgever. Thans vorderen zijn achterstallig loon wegens onjuiste inschaling (loonvorderingen betreffen € 42.097,60 resp. € 55.716,82). De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, stellende dat werknemers onvoldoende hebben aangetoond dat zij in J8 geschaald hadden moeten worden.
Het hof oordeelt als volgt. In 2006 heeft werknemer 1 promotie gemaakt, maar is een bevordering naar schaal J achterwege gebleven. Het hof acht dat in strijd met de cao. Vanaf de promotie had hij in schaal J moeten worden ingeschaald. Het hof verwijst daarvoor naar artikel 7 lid 2 sub a van de cao-bepalingen, dat luidt: ‘Medewerkers, die worden geplaatst in een hoger ingedeelde functie worden in een overeenkomende hogere salarisschaal ingedeeld.’ De cao bevat geen bepaling over de trede waarin inschaling in de nieuwe schaal plaatsvindt. Werknemer 1 gaat ervan uit dat promotie met behoud van trede plaatsvindt, en dat hij in één keer naar van I8 naar J8 had moeten worden gepromoveerd. Werkgever stelt dat dit J5 moet zijn, de trede die correspondeert met het naasthogere bedrag in schaal J in vergelijking met de inschaling in schaal I trede 8. Het hof acht deze methodiek van inschaling – die ook in veel andere loonschaalsystemen voorkomt (waaronder die van de overheid) – het meest voor de hand liggend nu werknemer ook desgevraagd geen argumenten heeft kunnen geven voor de door hem gehanteerde methodiek. Derhalve volgt het hof werkgever in haar standpunt dat, bij een juiste toepassing van de cao, werknemer 1 per 1 januari 2006 in schaal J, trede 5 en – vanaf 1 februari – in trede 6 had dienen te worden ingeschaald. Werkgever heeft berekend dat dit een voor werknemer 1 nadelig verschil van € 206,66 met zich bracht.
Wel heeft werkgever zich op verjaring beroepen ten aanzien van de vordering voor zover deze betrekking heeft op de periode vóór 17 februari 2006. Het hof honoreert dit beroep op verjaring, gelet op artikel 3:308 BW. Het hof verwerpt het betoog van werknemers dat het beroep van werkgever op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Derhalve dient dit bedrag verminderd te worden met € 14,24 (het equivalente bedrag dat betrekking heeft op de verjaarde periode van 2006). De loonvordering wordt (deels) toegewezen. Over de periode dat de loonschalen in de cao naar beneden toe werden bijgesteld, oordeelt het hof dat indien sprake is van een gebonden werknemer (lid van de vakbond) deze nadelige loonbijstelling direct doorwerkt. Indien geen sprake is van gebondenheid, dan niet.