Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer is op 1 juni 2007 in dienst getreden van werkgever als ‘plant manager’. Werkgever drijft een onderneming die zich bezighoudt met het be- en verwerken van en de groothandel in oliehoudende zaden, pitten, noten en aanverwante zaken. Als ‘plant manager’ had werknemer de directe leiding over de activiteiten van die onderneming. Bij de uitoefening van zijn functie had hij een grote mate van vrijheid. In de arbeidsovereenkomst is een pensioenbeding opgenomen waarin staat dat partijen nader overeen te komen pensioenverplichtingen hebben. Op 23 maart 2010 heeft werkgever werknemer op staande voet ontslagen wegens grote onregelmatigheden, bestaande uit privé-uitgaven van werknemer. In deze procedure vordert werkgever vergoeding van de schade. Werknemer vordert betaling van pensioen.
Het hof oordeelt als volgt. Diverse privé-uitgaven en andere betalingen worden als onregelmatig bestempeld en dient werknemer terug te betalen. Anders dan werkgever meent kan noch uit de vermelding ‘Nog nader overeen te komen’ onder het kopje ‘Pensioen’, noch uit het feit dat partijen tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst geen nadere afspraak over een pensioenvoorziening voor werknemer hebben gemaakt, worden afgeleid dat werkgever geen bijdrage ten behoeve van een zodanige voorziening is verschuldigd. In aanmerking genomen de zin die partijen in de geven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betrokken bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, moet de bepaling getiteld ‘Pensioen’ in de arbeidsovereenkomst aldus worden verstaan dat werkgever gehouden was enigerlei pensioenvoorziening voor werknemer te treffen of daaraan bij te dragen – na diens indiensttreding als ‘plant manager’ – en dat de concrete invulling van die voorziening of van de bijdrage van werkgever daaraan, door partijen in samenspraak zou worden vastgesteld. Op de eerste plaats is hierbij van belang dat als die bepaling anders zou worden uitgelegd, haar opname in de arbeidsovereenkomst zonder betekenis zou zijn: zij zou dan immers voor geen van de partijen een recht of een verplichting scheppen. Op de tweede plaats is bij de zojuist gegeven uitleg van belang dat werknemer vóór de beëindiging van zijn dienstverband – op verzoek van werkgever – bij twee verschillende pensioenverzekeraars offertes heeft gevraagd voor een te treffen pensioenvoorziening, zowel voor hemzelf als voor andere werknemers van werkgever. Hiervoor zou, wat de voorziening voor werknemer betreft, geen aanleiding zijn geweest als de aangehaalde bepaling in de arbeidsovereenkomst niet in de zojuist beschreven zin zou worden verstaan. In hoger beroep is niet in geschil dat volgens de laagste door werknemer gevraagde – en ontvangen – offerte het totaal van de premies voor een pensioenvoorziening voor hem gedurende zijn dienstverband bij werkgever € 19.380 zou hebben belopen zoals door de kantonrechter is aangenomen, als een dergelijke voorziening zou zijn getroffen. Evenmin in geschil is dat die premies in dat geval geheel ten laste van werkgever zouden zijn gekomen. In het bijzonder heeft zij niet gesteld dat op grond van de hierboven aangehaalde bepaling – in ieder geval – een deel van de pensioenpremies ten laste van werknemer zelf zou moeten komen. Er moet daarom van worden uitgegaan dat de betrokken premies geheel ten laste van werkgever zouden zijn gekomen als voor werknemer een pensioenvoorziening was getroffen. Dat werkgever ter zake méér zou zijn verschuldigd dan de premies volgens de laagste offerte, die de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen, is door werknemer niet, althans niet voldoende, onderbouwd: hij voert immers niet aan dat, laat staan waarom, die offerte níét en de hogere offerte wél een afdoende pensioenvoorziening voor hem behelsde. De vordering van werknemer wegens de niet-getroffen pensioenvoorziening is derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 19.380.