Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 17 december 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:9721
X BV/werknemer
Werknemer heeft vanaf 1985 bedrijf X geëxploiteerd waarvan hij 50%-aandeelhouder was. In maart 2010 heeft X BV het bedrijf van werknemer overgenomen. Daarbij is bedongen dat werknemer in dienst treedt voor de duur van drie jaar per 1 mei 2010. De centrale vraag is of de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2013 is geëindigd. Werknemer stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat sprake zou zijn van overgang van onderneming en hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had bij X. Voorts beroept hij zich op Ragetlie.
Het hof oordeelt als volgt. X BV stelt zich op het standpunt dat werknemer geen werknemer kon zijn van het bedrijf waarvan hijzelf tevens 50%-aandeelhouder was wegens het ontbreken van een gezagsverhouding. Bij de beoordeling van de vraag of tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat, is niet van belang welke personen deel uitmaken van het orgaan van de rechtspersoon dat instructies aan die natuurlijke persoon kan geven. Dit brengt mee dat de statutaire bestuurder van een besloten vennootschap die doorslaggevende zeggenschap heeft (en dus ook de statutaire bestuurder die 50% van de zeggenschap heeft) in de algemene vergadering van aandeelhouders, voor die besloten vennootschap werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst indien hij zich verbonden heeft die werkzaamheden tegen loon te verrichten. Of materieel gezien sprake is van een gezagsverhouding is bij die beoordeling daarom niet relevant. Vast staat dat werknemer, bestuurder en 50% aandeelhouder van X, voor de vennootschap werkzaam was. Ook staat vast dat hij daarvoor loon genoot. Uit die omstandigheden volgt dan dat sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen werknemer en X. Dat werknemer directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 6 van de WW, WAO en Ziektewet is, zodat hij ten tijde van zijn werkzaamheden voor X ingevolge deze wetten geen aanspraken op uitkering uit die wetten had, is voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet relevant. Ook het feit dat uit de koopovereenkomst niet voortvloeit dat er nog andere werknemers zouden zijn dan de werknemers in dienst van X, leidt niet tot een ander oordeel.
Wat betreft het beroep op Ragetlie, oordeelt het hof als volgt. Werknemer was bij X werkzaam als statutair bestuurder. Bij X BV was hij dat niet. De arbeidsovereenkomst tussen X BV en werknemer benoemt zijn functie als ‘bakker’. Dit is een eerste aanwijzing dat de inhoud van de functie van werknemer bij X BV anders was dan bij X. Voorts is voldoende aannemelijk dat werknemer bij X BV geen leidinggevende functie had, terwijl hij bij X samen met zijn broer verantwoordelijk was voor de algehele leiding en bedrijfsvoering van de onderneming. Het feit dat werknemer ook bij X BV de contacten onderhield met een aantal belangrijke afnemers, is onvoldoende voor het oordeel dat de arbeidsovereenkomsten in voldoende mate gelijk zijn gebleven. De omstandigheid dat werknemer zich zowel bij X als bij X BV bezighield met logistieke werkzaamheden, namelijk het uitsorteren van bestellingen en inpakken per afnemer, is daartoe evenmin voldoende. Het (gestelde) feit dat het aantal uren per week en het salaris (nagenoeg) gelijk zijn gebleven kan daaraan niet afdoen. Hierop stuit het beroep van werknemer op artikel 7:667 lid 4 BW reeds af.