Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 17 december 2013
ECLI:NL:RBNNE:2013:8296
werknemer/Hochwald Nederland B.V.
Werknemer is in dienst geweest van Hochwald. De arbeidsovereenkomst is per 1 september 2013 op verzoek van Hochwald wegens een vertrouwensbreuk ontbonden, onder toekenning van een vergoeding van € 125.000 aan werknemer. Werknemer heeft gesteld dat de ontbindingsbeschikking primair op grond van artikel 382 onder a Rv dient te worden herroepen, omdat Hochwald bedrog heeft gepleegd in de ontbindingsprocedure. Hochwald heeft in deze procedure namelijk in strijd met de waarheid verklaard dat werknemer onverwachts een bodemprocedure tegen haar is begonnen over de rectificatie van zijn personeelsdossier.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Van bedrog is geen sprake. De stelling dat de bodemprocedure voor Hochwald onverwachts kwam, was in de ontbindingsprocedure al bij werknemer bekend. Werknemer heeft in de ontbindingsprocedure ook uitdrukkelijk verweer gevoerd tegen deze stelling van Hochwald. Het verzoek van werknemer kan evenmin met succes worden gegrond op de artikelen 382 onder c en 390 Rv. Ingevolge deze artikelen kan een beschikking worden herroepen, indien de belanghebbende na de beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden. De stukken die werknemer in de onderhavige procedure heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat de bodemprocedure niet onverwachts kwam voor Hochwald, betreffen een conceptvaststellingsovereenkomst en e-mailberichten aan de mediator. Dat werknemer deze stukken pas na de ontbindingsbeschikking in handen heeft gekregen, is niet aannemelijk. Deze stukken hebben namelijk betrekking op de onderhandelingen over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, die voorafgaand aan de ontbindingsprocedure zijn gevoerd en deze stukken zijn grotendeels van de hand van werknemer afkomstig. Het betoog van werknemer strookt alsdan ook niet met zijn stelling dat hij voor en tijdens de zitting in de ontbindingsprocedure door Hochwald onder druk is gezet om deze stukken niet in het geding te brengen. Deze stelling impliceert immers dat hij de stukken voor en tijdens de ontbindingsprocedure in handen had. Bovendien zijn de stukken ook niet van beslissende aard, in die zin dat de beslissing van de kantonrechter in de ontbindingsprocedure anders zou hebben geluid als hij bekend zou zijn geweest met deze stukken. Volgt afwijzing van het verzoek.