Rechtspraak
werkgeefster/werknemer
Op 1 mei 2011 is werknemer in de functie van Projectleider/Hoofd Business Development bij werkgeefster, een bedrijf dat zich bezighoudt met het verzorgen van potentiële klanten voor MKB-bedrijven, in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst bevat een geheimhoudings- en concurrentiebeding. Op 1 november 2011 is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd stilzwijgend voortgezet. Werknemer heeft aangegeven de arbeidsovereenkomst per 1 februari te willen beëindigen. Partijen zijn hiertoe een beëindigingsovereenkomst overeengekomen. Thans stelt werkgeefster dat werknemer tijdens het dienstverband het concurrentiebeding heeft overtreden en zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie. Werknemer heeft gedurende het dienstverband voor zichzelf domeinnamen aangemaakt, terwijl hij daarmee voor werkgeefster leads had moeten genereren.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst heeft het concurrentiebeding zijn geldigheid behouden. Omtrent het concurrentiebeding is in de beëindigingsovereenkomst geen specifieke regeling opgenomen. In beginsel impliceert dit dat (de werking van) het concurrentiebeding valt onder de uitputtende, allesomvattende regeling die partijen blijkens de bewoordingen van de beëindigingsovereenkomst beoogden te treffen, waarbij zij afzien van alle bestaande afspraken. Niet valt in te zien waarom, indien het de bedoeling van partijen was geweest om het concurrentiebeding in stand te laten, ook daaromtrent niet een uitdrukkelijke regeling had kunnen worden opgenomen. Werkgeefster heeft zich verder nog beroepen op vernietiging van de relevante bepalingen van de beëindigingsovereenkomst op grond van dwaling en/of bedrog en zij heeft daartoe met name verzwijging door werknemer van zowel zijn al opgerichte bedrijf en geregistreerde domeinnamen als zijn toekomstplannen aangevoerd. Het beroep op dwaling slaagt. Werkgeefster was niet op de hoogte van de nevenwerkzaamheden van werknemer tijdens het dienstverband. Als zij daarmee wel bekend was, zou zij artikel 6 van de beëindigingsovereenkomst niet zijn aangegaan. Werknemer had tijdens het dienstverband geen domeinnamen zoals door hem is gedaan voor zichzelf mogen registreren. Met deze domeinnamen begaf hij zich op het terrein van de internetmarketing waarop ook werkgeefster al actief was, dan wel bezig was activiteiten te ontwikkelen en daarom had hij zich daarvan moeten onthouden. Daarmee heeft hij zich onrechtmatig gedragen jegens werkgeefster. Hij zal deze domeinnamen niet meer mogen gebruiken en dienen over te dragen aan werkgeefster. Voor het overige is geen sprake van onrechtmatige concurrentie.