Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 28 januari 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:510
werknemer/werkgevers
Werknemer (56 jaar) is bijna 25 jaar in dienst van werkgever. Lange tijd is hij CFO van werkgever geweest. Sinds enige jaren is de functie van werknemer Director New Business Development. Wegens bedrijfseconomische redenen is de arbeidsovereenkomst van werknemer opgezegd. Volgens werknemer is sprake van een kennelijk onredelijke opzegging. Werknemer stelt daartoe dat hij – hoewel in dienst van werkgever – feitelijk werd gedetacheerd naar werkgever 2 die ook de volledige loonkosten aan werkgever 1 betaalde. De reorganisatie bij werkgever 1 zou hem derhalve niet moeten treffen, aldus werknemer.
Het hof oordeelt als volgt. Anders dan werknemer is het hof van oordeel dat werkgever 1 geen valse reden aan de ontslagaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Zolang en voor zover werknemer gedetacheerd was bij werkgever 2 – en in zoverre vooral werkzaamheden ten behoeve van de food-tak verrichtte – kwamen zijn salariskosten weliswaar niet ten laste van werkgever 1, maar werknemer heeft onvoldoende betwist dat de financiële situatie van het concern niet toeliet dat hij zijn werkzaamheden voor de food-tak zou voortzetten naast een voor werkgever 2 aan te trekken CEO, zodat de salariskosten weer ten volle voor rekening van werkgever 1 zouden komen.
Evenmin is sprake van strijdigheid met het afspiegelingsbeginsel. Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, vraagt de functie van CFO een (voorzichtige) controlerende houding, terwijl voor de functie van Director New Business Development een initiërende ondernemersrol werd gevraagd. Overigens is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat werknemer voor de banken niet langer aanvaardbaar was als CFO, zoals ook is bevestigd in de brief van 10 maart 2011 (‘Per 1 september 2009 is, mede op ons verzoek, een nieuwe CFO aangetrokken.’), en dat werkgever 1 de stellingname van de banken niet naast zich kon neerleggen, gezien de noodzakelijke medewerking van die banken om de precaire financiële situatie van het concern door te komen.
Hoewel het hof in beginsel het oordeel van werknemer deelt dat het sociaal plan onvoldoende rekening houdt met de anciënniteit van werknemer (er wordt geen onderscheid gemaakt tussen werknemers met tien jaar dienstverband of – zoals werknemer – 25 jaar dienstverband), miskent werknemer dat werkgever 1 een aanvullende vergoeding heeft aangeboden, welke werknemer heeft afgewezen. De opzegging is derhalve niet kennelijk onredelijk.