Naar boven ↑

Rechtspraak

FNV Bondgenoten/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 18 februari 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:1181

FNV Bondgenoten/werkgever

Ongenuanceerde en harde uitspraken FNV-bondbestuurder in krantenbericht over voorgenomen ontslag bij werkgever is niet onrechtmatig. Vrijheid van meningsuiting en collectieve actie prevaleren.

Op 10 december 2012 heeft werkgever de FNV-bondsbestuurder op de hoogte gesteld van haar plan om twintig van de 89 werknemers die bij haar in vaste dienst waren te ontslaan en om ook de contracten van dertien werknemers in tijdelijke dienst te laten eindigen. Werkgever heeft daarbij aangegeven geen geld beschikbaar te hebben voor een sociaal plan. Op 13 december 2012 heeft FNV in een dagblad het ontslag bij werkgever aangekondigd en de verontwaardiging uitgesproken over het ontbreken van sociale verantwoordelijkheid van de gelieerde ondernemingen en aandeelhouders om toch tot een sociaal plan te komen. Volgens het artikel hebben zij jarenlang geprofiteerd van werkgever, zodat zij nu ook iets terug zouden moeten doen. Eveneens op 13 december 2012 en naar aanleiding van het ontslag van de werknemers van werkgever heeft FNV op de website www.fnvbondgenoten.nl een bericht geplaatst (hierna: het websitebericht) met een uitspraak van de bondsbestuurder dat er door werkgever 2 (moedermaatschappij) en de aandeelhouders jarenlang is genoten van winst van werkgever en er een verantwoordelijkheid van hen bestaat om te zorgen voor financiering van een sociaal plan. Werkgever 1 en 2 hebben bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de voorzieningenrechter het FNV in kort geding zal verbieden om onjuiste of misleidende publicaties en uitlatingen te doen en haar zal gebieden om het websitebericht te verwijderen, om in de krant en op de website een rectificatie te plaatsen inzake het ontbreken van sociale verantwoordelijkheid bij de directie van werkgever. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot rectificatie toegewezen, omdat het misleidend zou zijn en suggestief. Tegen dit oordeel keert FNV zich in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Door de toewijzing van de vordering tegen FNV is inbreuk gemaakt op het recht van FNV op vrijheid van meningsuiting. Het gaat hier om een uitlating die gedaan is ter behartiging van haar belangen als vakbond. Bij de belangenafweging, die moet worden gemaakt nu het recht van FNV op meningsuiting botst met het recht van werkgevers op eer en goede naam en op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, moet daarom het recht op vrijheid van meningsuiting worden bezien in het licht van het door artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens gewaarborgde recht op vereniging en vergadering (zie EHRM 9 oktober 2012, ECLI:NL:XX:2012:BY8687, Szima/Hongarije, § 13). Het antwoord op de vraag welke van de over en weer betrokken rechten in het onderhavige geval zwaarder wegen, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging komt niet in beginsel voorrang toe aan een van de daarbij gemoeide rechten. Dit brengt in het licht van het arrest HR 18 januari 2008 inzake Hemelrijk (ECLI:NL:HR:2008:BB3210) mee dat de toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van de rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de desbetreffende noodzakelijkheidstoets van het tweede lid van onderscheidenlijk artikelen 8, 10 en 11 EVRM. Naar het oordeel van het hof heeft de FNV een belang bij het optreden zoals zij dat heeft gedaan.