Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 21 januari 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:335
wergever VOF/werkneemster
Werkneemster is op 5 maart 2012 bij werkgever VOF in dienst getreden in de functie van verzorgende en secretaresse op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (12 maanden). Op 3 september 2012 heeft een gesprek tussen werkneemster en werkgevers plaatsgevonden, waarin werkneemster heeft aangegeven dat indien de salarisbetalingen van werkgever VOF steeds te laat blijven komen, zij ontslag neemt. Na afloop van dit gesprek is werkneemster naar huis gegaan. Op 10 september stuurt werkgever VOF een bevestigingsbrief van het door werkneemster op 3 september 2012 genomen ontslag. Daarin geeft werkgever aan het te betreuren dat zij de kans niet hebben gekregen door te kunnen vragen naar de reden van de ontslagname. Werkneemster heeft zich op 11 september ziek gemeld wegens burn-outklachten. Kern van het geschil is of op 3 september 2012 door opzegging door werkneemster een rechtsgeldig einde is gekomen aan de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.
Het hof oordeelt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring is vereist, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. De volgens vaste rechtspraak (zie o.m. HR 10 juni 2005, JAR 2005/157) geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, kort gezegd het verloren gaan van de mogelijkheid zich op ontslagvergunning te beroepen, en het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de socialezekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. De werknemer moet bovendien voldoende tijd worden gegeven op zijn verklaring terug te komen. Naar het voorlopig oordeel van het hof mocht werkgever VOF er niet in gerechtvaardigd vertrouwen van uitgaan dat werkneemster met de mededeling dat als de betaling elke keer te laat plaatsvindt zij ontslag zou nemen, de bedoeling had daadwerkelijk de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. Bij deze beoordeling betrekt het hof de context waarbinnen deze woorden zijn uitgesproken, te weten een gesprek over de te late betalingen in een emotionele sfeer. Maar ook al zou werkgever VOF voornoemde uitlating van werkneemster als een ontslagname hebben mogen opvatten, dan geldt dat zij had moeten onderzoeken of werkneemster daadwerkelijk de bedoeling had ontslag te nemen en had zij werkneemster bovendien in de gelegenheid moeten stellen om op haar uitlating terug te komen.
Het verweer van werkgever VOF dat werkneemster bij het ontbreken van een artikel 629a-verklaring, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, faalt. Een dergelijke verklaring is niet vereist in kort geding.