Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 12 november 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:8554
werknemer/de Raad voor Rechtsbijstand
Werknemer is in 2000 in dienst getreden van de Stichting. Met ingang van 1 september 2005 zijn de uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen van de Stichting ten gevolge van de zogenoemde stelselherziening gesubsidieerde rechtsbijstand van rechtswege overgegaan op de Stichting 2. De stelselherziening leidde – kort weergegeven – tot een splitsing van de Stichtingen Rechtsbijstand. De publieke functies van de Stichting werden ondergebracht in de stichting Het Juridisch Loket. De private functies gingen deel uitmaken van de sociale advocatuur, waartoe onder andere te weten Stichting 2 werd opgericht. Uit de faciliteringsovereenkomst volgt dat de Raad belang had bij een zo goed mogelijk verloop van de stelselherziening. Zij wenste het aanbod van gesubsidieerde rechtsbijstand te garanderen en de opgebouwde expertise op dat gebied te behouden. Niet weersproken is dat de Raad de Stichtingen daartoe (financiële) ondersteuning bood. Voor (het merendeel van) de directeuren van de Stichtingen Rechtshulp, waaronder ook werknemer, was na de realisatie van de reorganisatie geen arbeidsplaats meer beschikbaar. De directeuren zouden ‘boventallig’ worden verklaard. Gedurende het reorganisatieproces was de kennis en de expertise van deze directeuren echter nodig om het proces in goede banen te leiden, zowel bij de vormgeving als de realisatie daarvan. Omdat de directeuren anders niet bereid zouden zijn deze taak op zich te nemen, werd hen de garantie geboden dat zij ook in het geval van deze zogenaamde ‘vertraagde boventalligheid’ op de voor de reguliere boventalligheid getroffen voorziening aanspraak konden maken. Deze garantie werd vastgelegd in de individuele afspraken die tussen de stichtingen en de directeuren werden gemaakt (de zogenoemde wachtgeldregeling). Werknemer is ook vertraagd boventallig verklaard. Op 2 augustus 2006 zijn afspraken gemaakt. In december 2006 failleert Stichting 2. Werknemer vordert thans nakoming van de wachtgeldregeling van de Raad. Hij stelt daartoe dat op 2 augustus 2006 de aanvullende afspraken de facto met de Raad zijn gemaakt. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. De formulering van de brief van 14 augustus 2006 biedt steun aan de uitleg die werknemer voorstaat. Anders dan de Raad heeft gesteld, blijkt uit de formulering van de brief dat deze is gericht aan werknemer in persoon en niet aan het bestuur van Stichting 2. Volgens de Raad was de brief namelijk bedoeld ter ondersteuning van de Stichting en geen persoonlijke verbintenis met werknemer. De brief is weliswaar geadresseerd aan het bestuur, maar daaraan is toegevoegd ‘T.a.v. de heer X’. Bovendien vangt de brief aan met ‘Geachte heer X’. Vervolgens wordt veelvuldig ‘u’ en ‘uw’ in de brief gebezigd, waarmee kennelijk werknemer is bedoeld. De onderwerpen die in de brief aan de orde komen, zoals de salarisbetaling, de uittredingsdatum en het outplacementtraject, betreffen werknemer in persoon in niet in zijn functionele hoedanigheid. Daarbij komt dat in de brief van 14 augustus 2006 expliciet is bepaald dat het salaris door de Raad aan Stichting 2 wordt voldaan. Indien dit ten aanzien van het wachtgeld ook de bedoeling was geweest, zoals de Raad heeft gesteld, dan had het voor de hand gelegen dat ook als zodanig vast te leggen. Dit is echter niet gebeurd. Bij deze stand van zaken moet het ervoor gehouden worden dat de in de brief vermelde zinsnede ‘de wachtgeldverplichtingen worden door de Raad overgenomen’ erop wijst dat de directeur als ondergetekende van de brief zich namens de Raad rechtstreeks ten opzichte van werknemer heeft verbonden de wachtgeldverplichting van de Stichting over te nemen.