Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 februari 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:1380
Met annotatie door F.M. Dekker

werkgever/werknemer

Ruime uitleg begrip ‘relatie’ in de zin van een relatiebeding. Ook potentiële klanten kunnen onder relaties van de werkgever vallen. Nietigheid boetebeding treft enkel nietig deel (matigingsbevoegdheid). Geheimhoudingsbeding is geen vorm van een concurrentiebeding. Matiging boete van 10% naar 30% van de som. Samenloop boetes geheimhoudingsbeding en concurrentiebeding.

Werkgever is een opleidingsadviesbureau, vooral actief in de financiële dienstverlening. Werkgever traint, ontwikkelt en adviseert mensen in organisaties op de gebieden van commercie en klantgerichtheid, commercieel management, communicatie, persoonlijke ontwikkeling en opleiding en coaching. Werknemer is vanaf 10 juli 2006 in dienst bij werkgever in de functie van beller en coach. In de arbeidsovereenkomst is een relatiebeding opgenomen. In de bijlage bij de arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding opgenomen. Voor beide bedingen geldt een boetebeding. Werknemer heeft, samen met een collega, de arbeidsovereenkomst in april 2008 met wederzijds goedvinden beëindigd. In mei 2008 laat werknemer zich inlenen door Callsupport om voor F te werken. De centrale vraag is of het relatiebeding en/of het geheimhoudingsbeding is overtreden en of boetes zijn verbeurd. Daarbij staat onder meer de uitleg van de zin ‘Alle personen en organisaties waarin de afgelopen twee jaar aantoonbaar contact mee is geweest’ centraal. Naar het oordeel van de kantonrechter is een eenmalige lunchafspraak om de mogelijkheden te verkennen of om in contact te komen met een potentiële klant onvoldoende om te kunnen spreken van een relatie als bedoeld in het relatiebeding.

Het hof oordeelt als volgt. Wanneer partijen bij de schriftelijke vastlegging van hun overeenkomst gebruikmaken van een standaardakte, zal uitgangspunt voor de uitleg van een beding uit die akte zijn wat naar gangbaar spraakgebruik (in de desbetreffende kring van het maatschappelijk verkeer) onder het beding wordt verstaan (vgl. HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414, NJ 2010/62). Het hof is van oordeel dat de kantonrechter een te algemeen geformuleerde, beperkende uitleg aan het begrip relatie, zoals dat normaal gesproken in relatiebedingen wordt gehanteerd, heeft gegeven. De vraag of sprake is van een relatie van de werkgever kan immers slechts worden beantwoord in het licht van alle omstandigheden van het geval. Zo zal na een eerste toevallige ontmoeting niet snel van een relatie kunnen worden gesproken, maar kan het heel wel zo zijn dat ook als er nog geen zodanige gesprekken zijn gevoerd dat er een reële mogelijkheid bestaat dat de gevoerde gesprekken op een overeenkomst zullen uitdraaien en er niettemin al van een relatie kan worden gesproken. Naar het oordeel van het hof is F een relatie van werkgever. Er waren vergaande gesprekken tussen F en werkgever, inhoudende dat vanwege een exclusiviteitsbeding tussen werkgever en ABN AMRO de gewenste samenwerking even ‘on hold’ moest worden gezet tot 2008. Daarmee is voldoende duidelijk dat het om meer dan een toevallige kennismaking ging. F was een relatie van werkgever. Naar het oordeel van het hof kan een werkgever niet aansprakelijk zijn voor het voortijdig afbreken van een overeenkomst tussen werknemer en F, ook niet als dit mede komt doordat werkgever aan F het relatiebeding en geheimhoudingsbeding heeft getoond. De beslissing niet met werknemer in zee te gaan is een integriteitsbeslissing van F.

Op overtreding van het geheimhoudingsbeding stond een niet voor matiging vatbare boete van € 30.000. Het hof oordeelt – onder uitdrukkelijke verwijzing naar Bles en Canes (A.E. de Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst, tweede deel, Den Haag 1908, p. 339 e.v., en S.G. Canes, Critische Systematische Commentaar op de Wet op het arbeidscontract, Groningen 1908, p. 136 e.v.) – dat voor het boetebeding in artikel 7:650 BW een onderscheid gemaakt moet worden tussen disciplinaire boetes en boetes gesteld op het concurrentiebeding. Naar het oordeel van het hof valt het geheimhoudingsbeding niet aan te merken als een beding dat op één lijn gesteld kan worden met het concurrentiebeding. Derhalve geldt artikel 7:650 lid 6 BW jo. artikel 6:94 lid 3 BW. Dit houdt in dat matiging van de boete niet kan worden uitgesloten. Anders dan werknemer meent, brengt dit niet met zich dat het hele beding nietig is, maar enkel de uitsluiting van de matigingsbevoegdheid. De rechter zal dan ook de boete matigen. Voorafgaand aan de 17 paragrafen tellende geheimhoudingsverklaring is een achttal overwegingen opgenomen waarin het belang van werkgever bij het sluiten van die overeenkomst nauwkeurig is omschreven en waarvan de bewoordingen weinig aan duidelijkheid te wensen overlaten. Daarin komt onder meer naar voren dat werknemer in zijn functie bij werkgever in aanraking komt of kan komen met uiterst vertrouwelijke gegevens omtrent personen, bedrijven en (omvangrijke) vermogens en dat het van het grootste belang is dat deze gegevens uiterst vertrouwelijk blijven en niet op enigerlei wijze ter kennis komen van derden. Een en ander afwegend en bezien tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, waaronder het salarisniveau van werknemer (€ 3.000 bruto per maand) is het hof van oordeel dat oplegging van een boete van € 30.000 onder de gegeven omstandigheden tot een onaanvaardbaar resultaat zou leiden, zodat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete wordt gematigd tot het niveau van drie maanden salaris, oftewel € 9.000. Nu ter zake van de schending van het geheimhoudingsbeding reeds een stevige boete is opgelegd, welke zoals hiervoor is aangegeven slechts beperkt voor matiging in aanmerking komt, is het hof van oordeel dat een daar bovenop komende boete voor de schending van het relatiebeding van meer dan € 1.000 in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.