Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17 februari 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:989
Abvakabo FNV c.s./Stichting Welsaen c.s.
Combiwel en Welsaen zijn welzijnsorganisaties. Zij beheren onder andere buurthuizen. Nadat concrete subsidiebedragen zijn vastgesteld, heeft Combiwel in 2011 kenbaar gemaakt de opdracht ten aanzien van drie buurthuizen niet te willen uitvoeren, omdat fors bezuinigd zou moeten worden. In het Stedelijk Sociaal Plan is in hoofdstuk I onder 3 het volgende bepaald: ‘Als een medewerker wordt ontslagen vanwege het intrekken of vermindering van subsidie, en daarna blijkt dat een andere organisatie subsidie krijgt voor dezelfde activiteiten (subsidieomlegging) dan wordt de opzegging in een dergelijk geval geacht niet te hebben plaatsgevonden en gaat de overgang van onderneming vóór (…).’ Na verkregen toestemming is de arbeidsovereenkomst van de werknemers die werkzaam waren bij de betreffende buurthuizen opgezegd. De opdracht voor het accommodatiebeheer en openstelling van de drie buurthuizen is vervolgens aan Welsaen gegeven. Abvakabo FNV en acht werknemers stellen in deze procedure – kort gezegd – dat er per 1 januari 2012 sprake is van overgang van onderneming van Combiwel naar Welsaen betreffende het beheer en de openstelling van de drie buurthuizen. Welsaen voert aan dat geen sprake is van een economische eenheid die haar identiteit heeft behouden. Subsidiair stelt Welsaen dat de vorderingen van Abvakabo c.s. zijn verjaard, omdat er niet tijdig (namelijk binnen zes maanden) een beroep is gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging, op grond van het opzegverbod ex artikel 7:670 lid 8 BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ten deze is voldaan aan het vereiste dat het gaat om een geheel van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer brengen van een economische entiteit. De betreffende buurthuizen kunnen immers worden beschouwd als een duurzaam georganiseerde economische entiteit, met een georganiseerd geheel van personen en elementen. Dat in dit geschil niet aan het ondernemingsbegrip, dat ruim moet worden opgevat, zou zijn voldaan, heeft Welsaen onvoldoende onderbouwd. Ook is sprake van identiteitsbehoud. De functionele band die voor de overgang tussen de onderling samenhangende en elkaar aanvullende factoren bestond, is na de overgang behouden gebleven. De buurthuizen zijn dezelfde gebleven, terwijl eveneens de hoofdtaak (beheer en openstelling), gelijk is gebleven. Onweersproken is dat er (ook na de overgang) een professionele bezetting nodig blijft om deze hoofdtaak uit te voeren. Ook wordt ervan uitgegaan dat de doelgroep waarop de huizen zich richten (de klanten) gelijk zijn gebleven, nu Welsaen dat niet gemotiveerd heeft betwist. Met de door Welsaen gestelde organisatorische veranderingen, zoals het na de overgang integreren van de buurthuizen (en een deel van het personeel) in haar organisatie, kan Welsaen niet het volgens haar ontstane identiteitsverlies bewerkstelligen. Voor wat betreft het beroep van Welsaen op verjaring van de loonvordering wordt opgemerkt dat Welsaen niet als verweer heeft gevoerd dat zij niet is gebonden aan het Stedelijk Sociaal Plan. De kantonrechter houdt het er daarom voor dat Welsaen aan dit plan is gebonden. Dat betekent dat, waar eveneens vaststaat dat er ten deze sprake is van ‘subsidieomlegging’, het beroep van Welsaen op verjaring in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid. Dit beroep is immers strijdig met hoofdstuk I onder 3 uit het Stedelijk Sociaal Plan.