Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 januari 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:84
X Makelaardij/werknemer
Werknemer is op 1 februari 2001 bij X in dienst getreden als hypotheekadviseur. Werknemer is gedetacheerd bij de eveneens door X geëxploiteerde onderneming De Hypotheekshop Hoofddorp B.V. (hierna: de Hypotheekshop). Vanaf januari 2012 is werknemer vrijgesteld van werkzaamheden in afwachting van de ontslagprocedure. Tussen partijen is overleg gevoerd over de eventuele overname van de Hypotheekshop door werknemer van X. Dit heeft niet tot een resultaat geleid. De arbeidsovereenkomst met werknemer is tegen 1 mei 2012 opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen. De kantonrechter heeft de opzegging als kennelijk onredelijk geoordeeld omdat X werknemer de mogelijkheid tot overname van de Hypotheekshop heeft ontnomen en X veroordeeld een vergoeding van € 40.221 te betalen.
Het hof oordeelt als volgt. Op X rust als goed werkgever de inspanningsplicht te onderzoeken of werknemer de Hypotheekshop kon overnemen, teneinde aldus te trachten de negatieve gevolgen voor werknemer van een ontslag zo veel mogelijk weg te nemen. Uit het feitenrelaas leidt het hof evenwel af dat X een voorstel heeft gedaan, maar dat werknemer daar niet op in heeft willen gaan, dan wel pas later in de procedure alsnog kenbaar heeft gemaakt belangstelling te hebben. Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat het door X aan werknemer gegeven ontslag kennelijk onredelijk is vanwege de wijze waarop X zich heeft gedragen gedurende de onderhandelingen omtrent de mogelijke overname door werknemer van de Hypotheekshop.
De stelling van werknemer dat sprake is van een valse of voorgewende reden (de Hypotheekshop is pas veel later gestaakt), faalt. De reden dat X niet onmiddellijk de Hypotheekshop heeft gestaakt komt vanwege de franchiseovereenkomst die X met CO had gesloten. Dat X ondertussen tot kostenreductie wenste over te gaan is volstrekt begrijpelijk. Mede gezien de slechte financiële positie waarin X zich ten tijde van het ontslag bevond, noodzaakten de leeftijd van werknemer, de duur van de arbeidsovereenkomst, de wijze waarop hij heeft gefunctioneerd, de voor hem bestaande mogelijkheden ander werk te vinden, het verlies van anciënniteit en de financiële gevolgen van het ontslag naar het oordeel van het hof niet tot het treffen van een afvloeiingsregeling. Het hof oordeelt dan ook dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is.