Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/GVB Exploitatie BV
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 3 maart 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:1138

werknemer/GVB Exploitatie BV

GVB heeft zich voldoende ingespannen om arbeidsongeschikte buschauffeur te re-integreren. Opzegging arbeidsovereenkomst nadat werknemer weigert passende arbeid te verrichten, is niet kennelijk onredelijk.

Werknemer is sinds 1990 in dienst van (een rechtsvoorganger van) GVB als buschauffeur. Sinds juni 2008 is hij als gevolg van rugklachten arbeidsongeschikt. Begin 2009 heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat terugkeer naar het eigen werk niet mogelijk is. Werknemer heeft verschillende (externe) werkzaamheden verricht in het kader van zijn re-integratie, maar is daar telkens (na korte tijd) weer mee gestopt. Aan het GVB is een loonsanctie opgelegd, met als reden dat GVB onvoldoende is opgetreden tegen het ‘re-integratie blokkerende’ gedrag van werknemer. GVB heeft een ontslagvergunning aangevraagd, omdat werknemer weigert mee te werken aan zijn re-integratieverplichtingen. Het UWV heeft toestemming voor opzegging verleend. De arbeidsovereenkomst is tegen 1 april 2012 opgezegd. Werknemer stelt dat de opzegging kennelijk onredelijk is. Hij voert daartoe aan dat GVB tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen en beroept zich op het gevolgencriterium.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Gezien de stukken, waaronder de verschillende oordelen van de bedrijfsarts, het deskundigenoordeel van UWV van 12 april 2011 en het advies van de Arbeidsjuridische Dienst van 24 november 2011, heeft GVB gehandeld zoals van een goed werkgever mag worden verwacht wanneer een werknemer zich ziek meldt, daarna arbeidsgeschikt wordt verklaard voor passende werkzaamheden en vervolgens deze werkzaamheden niet dan wel slechts zeer korte tijd uitvoert. GVB heeft zich een tijdlang ingespannen om werknemer te re-integreren, ze heeft daarbij zowel intern als extern gekeken, een externe coach ingeschakeld en verschillende keren heeft GVB gezocht naar werkzaamheden die werknemer, rekening houdend met zijn beperkingen, kon uitvoeren. Niet is komen vast te staan dat GVB is tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen. Van een kennelijke onredelijke opzegging is in dit verband geen sprake. Met betrekking tot het gevolgencriterium wordt overwogen dat werknemer onvoldoende heeft onderbouwd dat de financiële gevolgen voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van GVB bij de opzegging. Volgt afwijzing van de vordering.