Rechtspraak
werknemer/werkgeefster
Werknemer is sinds 1976 in dienst. Laatstelijk is hij werkzaam als chauffeur. Op 20 maart 2013 is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer bepaald dat de arbeidsovereenkomst zal eindigen per 1 november 2013, waarbij werknemer wordt vrijgesteld van werk met behoud van salaris en overige emolumenten tot het einde van het dienstverband. Bij brief van 28 maart 2013 heeft werknemer meegedeeld dat er ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst sprake is van een wilsgebrek en daarbij heeft hij de vaststellingsovereenkomst vernietigd. Werknemer vordert in kort geding wedertewerkstelling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Van een eenzijdige non-actiefstelling is geen sprake. In de vaststellingsovereenkomst zijn aan de beëindiging bedrijfseconomische omstandigheden ten grondslag gelegd, maar achterliggend verwijt van werkgeefster is dat werknemer ten onrechte stelselmatig en excessief overuren heeft geschreven en zij daarom ieder vertrouwen in werknemer kwijt is. Daarin ligt kennelijk het belang van werkgeefster dat werknemer feitelijk geen werkzaamheden meer verricht. Werknemer ontkent dat hij met opzet te veel uren heeft geschreven en stelt dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van wilsgebreken tot stand is gekomen. Het belang van tewerkstelling is volgens werknemer hierin gelegen dat hij door (langdurige) afwezigheid van het werk en van zijn collega’s zal vervreemden en een eventuele terugkeer naar het werk als gevolg daarvan zal worden bemoeilijkt. De kantonrechter kan werknemer daarin niet volgen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat werknemer in zijn functie van chauffeur een grote mate van zelfstandigheid heeft en door zijn werktijden nauwelijks direct contact heeft met collega’s, omdat hij het grootste deel daarvan onderweg is. Gesteld noch gebleken is bovendien dat werknemer door de vrijstelling van werk bijvoorbeeld bepaalde vaardigheden zou kunnen verliezen. Dat door de vrijstelling van werk een onomkeerbare situatie zal ontstaan heeft werknemer niet aannemelijk gemaakt. Niet valt in te zien dat een bodemprocedure door werknemer niet kan worden afgewacht, temeer nu de arbeidsovereenkomst op grond van de vaststellingsovereenkomst eerst op 1 november 2013 eindigt en hij tot die tijd loon ontvangt. Volgt afwijzing van de vordering.