Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Y
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12 februari 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:1966

X/Y

Aannemer is op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk voor schade zzp’er als gevolg van val van dak.

X is sinds 2000 werkzaam als zzp’er. Zijn werkzaamheden bestaan hoofdzakelijk uit metsel-, voeg- en stukadoorswerkzaamheden in de bouw. Tijdens werkzaamheden die X in opdracht van Y verrichte, is hem een ongeval overkomen. X, die samen met Y op het dak van de stal aan het werk was, is door het golfplaten dak gezakt en ongeveer vier meter lager op een betonnen roostervloer van de stal terechtgekomen. Daarbij heeft hij letsel aan zijn rechtervoet opgelopen. De arbeidsinspectie heeft aan Y een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 9 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet. X stelt Y op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk voor zijn schade.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1997/98, 25263, 14, p. 6) en de rechtspraak (vgl. HR 23 maart 2012, RvdW 2012/447) is artikel 7:658 lid 4 BW van toepassing op de zzp’er. Uit de verklaring van Y volgt dat Y als aannemer zeggenschap had over X in die zin, dat Y bepaalde wat er wanneer gebeurde en dat Y instructies heeft gegeven over de wijze waarop de werkzaamheden moesten worden verricht. X was wat betreft zijn veiligheid (mede) afhankelijk van Y. Het verweer van Y dat hij niet de keuze had de werkzaamheden te laten verrichten door zijn eigen werknemers, omdat hij niet aan ‘outsourcing’ doet wordt verworpen. Y had er ook voor kunnen kiezen het onderhavige, tot zijn bedrijfsuitoefening behorende, werkzaamheden te laten uitvoeren door een via een uitzendbureau ingehuurde kracht. Gebleken is dat hij dat ook deed. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 7:658 lid 4 BW is voldaan, zodat Y aansprakelijk is voor de door X geleden/te lijden schade. Voor zover Y nog heeft bedoeld op te werpen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan door X de voor het werk benodigde middelen en instructies te verschaffen, moet daaraan als onvoldoende toegelicht worden voorbijgegaan. Het enkel verschaffen van een ladder zonder enige instructie is als veiligheidsmiddel onvoldoende. Dat klemt temeer omdat Y, zo heeft hij ter comparitie verklaard, ermee bekend was dat bij het werken op daken (in de nieuwbouw) altijd veiligheidsmaatregelen worden getroffenen en Y zelf over aanlijnkoorden beschikt. Bovendien wist Y dat het golfplaten dak vervangen moest worden omdat dit niet meer waterdicht was. In die situatie had Y moeten beseffen dat de dakplaten vermoedelijk in een slechte conditie zouden zijn en had hij zijn veiligheidsmaatregelen en instructies daarop moeten aanpassen. Van bewust roekeloos handelen door X is tot slot geen sprake.