Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 november 2013
ECLI:NL:RBZWB:2013:10737
X/mr. S.M.W.L. van Boven c.s.
X is sinds 1997 in dienst van Thermphos. Thermphos was houder van de aandelen in Thermphos Argentina SA, welke vennootschap op haar beurt vrijwel alle aandelen hield in Sudamfos SA, gevestigd in Argentinië. Volgens overeenkomst van 27 december 2006 trad X in dienst van Sudamfos en was op die arbeidsovereenkomst Argentijns recht van toepassing. De overeenkomst ging in op 1 januari 2007. X en Thermphos sloten op 22 december 2006 een overeenkomst van opdracht met ingang van 1 januari 2007 waarop Nederlands recht van toepassing is. Ook is een side letter overeengekomen. Thermphos is in 2012 failliet verklaard. De curatoren verkochten op 14 maart 2013 aan een derde belanghebbende de aandelen Thermphos Argentina. Daarbij is overeengekomen dat voor de levering van de aandelen alle overeenkomsten tussen vennootschappen van de groep waarvan Thermphos deel uitmaakte, Sudamfos en X zouden worden beëindigd. Tussen de curatoren van Thermphos en X is een vaststellingsovereenkomst overeengekomen. X stelt thans dat hij vanaf 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van Thermphos. Zijn loonvordering draagt het karakter van een preferente boedelschuld. Hetzelfde geldt voor de vanaf 1 januari 2012 onbetaald gebleven pensioenpremie.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen X en Thermphos bestond tot 1 januari 2007 een arbeidsovereenkomst. Daarna bestond de uitdrukkelijke intentie de arbeidsovereenkomst tussen X en Thermphos te beëindigen met de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen hem en Sudamfos inging en een overeenkomst van opdracht aan te gaan, naast de arbeidsovereenkomst tussen hem en Sudamfos. Het beroep op het rechtsvermoeden, bedoeld in artikel 7:610a BW gaat niet op. Dat rechtsvermoeden is weerlegd. Afgezien daarvan zag X met de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk af van enige vordering op de curatoren en onderdelen van de Thermphos Groep. Niet valt in te zien dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat X aan de vaststellingsovereenkomst wordt gehouden en aan het beding waarin hij – kort gezegd – finale kwijting verleent. Hierbij is mede van belang dat X in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met Sudamfos een vergoeding ontving van $ 400.000 en hij bij die beëindiging en bij de sluiting van de vaststellingsovereenkomst werd bijgestaan door juristen. Volgt afwijzing van de vordering.