Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkneemster/Econcern B.V
Hoge Raad, 11 april 2014
ECLI:NL:HR:2014:898

Werkneemster/Econcern B.V

Uit een 403-verklaring vloeit enkel een aansprakelijkheidstelling van de moeder voor de dochter voort. Het voorrecht (preferente schuld in faillissement) op de dochter, kan niet met een 403-verklaring jegens de moeder worden ingegroepen.

(Cassatie van AR 2013-0091.) Op 11 november 2003 heeft Econcern N.V. (hierna: Econcern), destijds handelend onder de naam Econcern B.V., op voet van artikel 2:403 lid 1 onder f BW een verklaring gedeponeerd, inhoudende dat zij zich, behoudens tussentijdse intrekking conform de wet, hoofdelijk aansprakelijk stelt voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van onder meer haar dochtermaatschappij Evelop B.V. Evelop is op 15 juni 2009 in staat van faillissement verklaard. Werkneemster was in dienst bij Evelop en heeft uit dien hoofde een vordering op Evelop van € 2.674,20, die is bevoorrecht op voet van artikel 3:288 onder e BW. Econcern is op 18 september 2009 failliet verklaard. Wat partijen verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of de preferentie die is verbonden aan de vordering van werkneemster op Evelop, ook is verbonden aan de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering van werkneemster op Econcern. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Volgens artikel 3:278 BW ontstaan voorrechten slechts uit de wet. Artikel 3:288 onder e BW geeft slechts, binnen zekere grenzen, een voorrecht aan vorderingen van werknemer op (het vermogen van) werkgever. Econcern geldt niet als werkgever van werkneemster, dat hebben partijen ook niet betoogd. De aansprakelijkheid van de moedervennootschap voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van de dochtervennootschap voor wie zij op voet van artikel 2:403 BW een aansprakelijkheidsverklaring heeft afgegeven, vloeit slechts voort uit die aansprakelijkheidsverklaring (HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, JOR 2002/136 (Akzo Nobel/ING Bank)).

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voorrechten alleen ontstaan uit de wet (art. 3:278 lid 2 BW). De aansprakelijkheid van Econcern berust op de door haar afgegeven 403-verklaring (HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, r.o. 3.4.3 (Akzo Nobel/ING Bank)). Nu artikel 2:403 BW, noch enige andere wettelijke bepaling aan de vordering die op deze aansprakelijkheidsverklaring berust, een voorrecht verbindt, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de vordering van werkneemster op Econcern niet bevoorrecht is. Het beroep van werkneemster op de Richtijn (jaarrekening) strekt ertoe te betogen dat de uit de aansprakelijkheidsverklaring voortvloeiende vordering op de moedermaatschappij, op grond van een richtlijnconforme uitleg van artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW, op dezelfde wijze bevoorrecht is als de vordering op de dochtermaatschappij. Ingevolge de richtlijn behoeven de lidstaten een aantal voorschriften daarvan niet toe te passen op tot een groep behorende vennootschappen, onder meer indien de beheersende vennootschap zich heeft garant verklaard voor de ‘door de afhankelijke vennootschap aangegane verplichtingen’ (‘the commitments entered into by the dependent company’). Het voorrecht van artikel 3:288 aanhef en onder e BW is echter niet een door de werkgever bij rechtshandeling aangegane verplichting, maar een voorrecht dat de wet verbindt aan bepaalde uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende vorderingen van een werknemer op zijn werkgever. Tekst noch strekking van de richtlijn brengt mee dat aan de vordering op de moedermaatschappij uit hoofde van de aansprakelijkheidsverklaring eenzelfde voorrecht verbonden moet zijn. Uit de (considerans van de) richtlijn blijkt niet van een verdergaand oogmerk dan dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de desbetreffende verbintenissen van de dochtermaatschappij. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat een richtlijnconforme interpretatie niet meebrengt dat vorderingen die voortvloeien uit de 403-verklaring ook bevoorrecht (moeten) zijn indien de vorderingen jegens de dochtermaatschappij dat zijn.