Rechtspraak
UWV/Econcern
(Zie ook AR 2014-0341.) Op 11 november 2003 heeft Econcern N.V. (hierna: Econcern) op de voet van artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW een verklaring gedeponeerd (hierna: de 403-verklaring), inhoudende dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van haar dochtermaatschappij Innogrow International B.V. (hierna: Innogrow). Econcern en Innogrow zijn beide in staat van faillissement verklaard, Econcern op 18 september 2009, Innogrow op 2 februari 2010. Op grond van artikel 66 lid 1 Werkloosheidswet (WW) zijn loonaanspraken van werknemers van Innogrow overgegaan op het UWV tot een bedrag van € 56.563,92. Deze vordering van het UWV is in het faillissement van Innogrow bevoorrecht op grond van artikel 3:288 aanhef en onder e BW in verbinding met artikel 66 lid 1 WW en artikel 6:142 lid 1 BW. Het UWV heeft de vordering van € 56.563,92 ingediend in het faillissement van Econcern. De curatoren hebben deze vordering voorlopig erkend, met uitzondering van het ingeroepen voorrecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van het UWV op Econcern krachtens de 403-verklaring niet bevoorrecht is.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voorrechten alleen ontstaan uit de wet (art. 3:278 lid 2 BW). De aansprakelijkheid van Econcern berust op de door haar afgegeven 403-verklaring (HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, r.o. 3.4.3 (Akzo Nobel/ING Bank)). Nu artikel 2:403 BW, noch enige andere wettelijke bepaling aan de vordering die op deze aansprakelijkheidsverklaring berust, een voorrecht verbindt, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de vordering van UWV op Econcern niet bevoorrecht is. Het beroep van UWV op de richtijn (jaarrekening) strekt ertoe te betogen dat de uit de aansprakelijkheidsverklaring voortvloeiende vordering op de moedermaatschappij, op grond van een richtlijnconforme uitleg van artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW, op dezelfde wijze bevoorrecht is als de vordering op de dochtermaatschappij. Ingevolge de richtlijn behoeven de lidstaten een aantal voorschriften daarvan niet toe te passen op tot een groep behorende vennootschappen, onder meer indien de beheersende vennootschap zich heeft garant verklaard voor de ‘door de afhankelijke vennootschap aangegane verplichtingen’ (‘the commitments entered into by the dependent company’). Het voorrecht van artikel 3:288 aanhef en onder e BW is echter niet een door de werkgever bij rechtshandeling aangegane verplichting, maar een voorrecht dat de wet verbindt aan bepaalde uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende vorderingen van een werknemer op zijn werkgever. Tekst noch strekking van de richtlijn brengt mee dat aan de vordering op de moedermaatschappij uit hoofde van de aansprakelijkheidsverklaring eenzelfde voorrecht verbonden moet zijn. Uit de (considerans van de) richtlijn blijkt niet van een verdergaand oogmerk dan dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de desbetreffende verbintenissen van de dochtermaatschappij. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat een richtlijnconforme interpretatie niet meebrengt dat vorderingen die voortvloeien uit de 403-verklaring ook bevoorrecht (moeten) zijn indien de vorderingen jegens de dochtermaatschappij dat zijn.