Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 5 november 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:8306

werkgever/Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten

Hof stelt vraagtekens bij ‘forfaitaire schadevergoeding’ op gelegd door het bestuur van SNCU bij nalevingsactie CAO Uitzendkrachten. Ratio van ‘forfaitaire schadevergoeding’ lijkt in kosten SNCU te liggen die gemakkelijk te begroten zijn. Reputatieschade rechtvaardigt geen schadevergoeding van € 100.000. Indien sprake is van een boete, dan komt SNCU geen aanvullende schadevergoeding meer toe. Uitleg artikel 17 WCAO.

Werkgever exploiteert een bedrijf in de uitzendbranche. Het bedrijf valt onder de werking van de algemeen verbindend verklaarde CAO Uitzendkrachten 2009/2014 (hierna: de CAO Uitzendkrachten) en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche (hierna: de CAO Sociaal Fonds). SNCU houdt toezicht op de naleving van deze cao’s. Na daartoe eerder te zijn aangemaand, heeft SNCU bij brief van 25 juni 2010 werkgever aangemaand binnen veertien dagen de opgevraagde gegevens alsnog toe te zenden (onder ingebrekestelling) en meegedeeld dat de door het bestuur van SNCU voor de onderneming van werkgever vastgestelde forfaitaire schadevergoeding is bepaald op een bedrag van € 100.000. De kern van het geschil vormt daarmee de (toewijzing van de) vordering van SNCU jegens werkgever van de schadevergoeding ten bedrage van € 100.000, door SNCU als ‘forfaitair’ benoemd. Werkgever heeft het opleggen van die schadevergoeding, door hem als boete gekwalificeerd, betwist en heeft verzocht om matiging van die boete. Hij heeft daarbij verwezen naar zijn persoonlijke omstandigheden en een beroep gedaan op dispropotionaliteit.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt vast dat in de jurisprudentie geen eensluidend oordeel is gegeven omtrent de vraag of de onderhavige ‘forfaitaire schadevergoeding’ moet worden gekwalificeerd als (aanvullende) schadevergoeding dan wel als een boete. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft weliswaar in zijn arrest van 29 mei 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7262) in lijn met het primaire standpunt van SNCU deze schadevergoeding gekwalificeerd als een aanvullende schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 17 WCAO en niet als een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW, maar het Gerechtshof Amsterdam gaat daarentegen in zijn arrest van 18 december 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BY9449) uit van een boetebeding. Ook het Hof Den Haag gaat in zijn arrest van 26 februari 2013, zaaknummer 200.074.770, uit van een boetebeding. Beide laatstgenoemde hoven zijn van oordeel dat toewijzing van het gevorderde bedrag van € 100.000 kan plaatsvinden. Het hof Den Haag overweegt nog uitdrukkelijk dat sprake is van een aanvullende schadevergoeding. In zijn annotatie onder het Amsterdamse arrest in JAR 2013/30, geeft annotator A. Stege aan dat naar zijn oordeel het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch niet in lijn is met artikel 6:91 BW aangezien onder het begrip boetebeding ook het schadevergoedingsbeding valt. Het hof stelt vast dat er dus nog geen eensluidend standpunt in de rechtspraak/literatuur bestaat ten aanzien van het standpunt van SNCU omtrent het karakter van de ‘forfaitaire schadevergoeding’. Het hof stelt voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat schade in beginsel concreet dient te worden begroot, hetgeen ook strookt met de strekking van de schadevergoedingsplicht. Forfaitaire schadevergoeding is aldus een vorm van abstracte schadeberekening en daarmee in zoverre een uitzondering op het voormelde uitgangspunt. Abstracte schadeberekening geeft doorgaans een efficiënte oplossing voor veelvoorkomende gevallen. Buiten de in de wet genoemde gevallen wordt abstracte schadeberekening, behoudens ten aanzien van in het bijzonder zaaksbeschadiging en de eerder genoemde buitengerechtelijke incassokosten, in de rechtspraak slechts beperkt toegepast. Het hof overweegt dat het hier kennelijk niet gaat om immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 16 WCAO; immers, uit het hiervoor geciteerde advies van SNCU, waarop naar het hof begrijpt de vordering van SNCU is gebaseerd blijkt dat de hoogte van de forfaitaire schadevergoeding dient ter dekking van de eigen kosten van SNCU, zijnde de apparaatskosten, zoals dit ook blijkt uit het derde lid van artikel 6 van het reglement: ‘De schadevergoeding dient ter dekking van de kosten die de SNCU maakt en de ter dezer zake verkregen middelen worden toegevoegd aan de geldmiddelen van de SNCU tot dekking van de kosten die de SNCU heeft moeten maken als gevolg van haar toezichthoudende taak ten aanzien van de wijze waarop de cao’s worden nageleefd.’ Dit zijn naar het oordeel van het hof evident materiële kosten. Het hof overweegt dat van een concrete schadeberekening in deze zaak geen sprake is. Dat dit in een geval als het onderhavige niet mogelijk zou zijn dan wel voor SNCU zeer bezwaarlijk, is gesteld noch gebleken. Immers, de apparaatskosten van SNCU zijn vrij eenvoudig uit de jaarrekeningen af te leiden. Dat SNCU uit hoofde van artikel 6 lid 4 van het reglement niet hoeft aan te tonen dat zij de schade ook daadwerkelijk in die omvang heeft geleden ziet naar het oordeel van het hof slechts op een bewijsregeling, waardoor SNCU wordt ontheven van het bewijs van de omvang van de schade, maar die bepaling doet niet af aan het uitgangspunt dat slechts de reële en concrete schade die SNCU lijdt vergoedbaar is. Wat deze schade concreet betreft is onbekend. SNCU dient hierover opheldering te verschaffen. Het hof overweegt in dit verband voorts dat in de cao zelf noch in het reglement dan wel de algemeenverbindendverklaring het bedrag van € 100.000 als forfaitaire schadevergoeding wordt genoemd, maar dat de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding krachtens artikel 6 van het reglement is overgelaten aan het bestuur van SNCU. In het geval beoogd was een werkgever te binden aan een forfaitaire schadevergoeding had het noemen van een vast bedrag, al dan niet gestaffeld, in de cao of het reglement voor de hand gelegen.

De enkele omstandigheid dat reputatieschade niet eenvoudig concreet te berekenen is en in zoverre op zichzelf een abstracte schadeberekening in de rede zou kunnen liggen, brengt daarmee nog niet mee dat het door het bestuur van SNCU vastgestelde bedrag van € 100.000 enige relatie zou hebben met de gestelde reputatieschade. Daarbij komt dat deze stelling, zonder toelichting die ontbreekt, rechtstreeks in strijd is met het hierboven aangehaalde derde lid van artikel 6 van het reglement waarin immers uitdrukkelijk is bepaald dat de schadevergoeding dient ter dekking van de kosten die de SNCU maakt.

Voor zover sprake is van een boetebeding, oordeelt het hof als volgt. Artikel 6:92 lid 2 BW bepaalt dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats treedt van de wettelijke schadevergoeding. Dat ziet zowel op de vervangende als de aanvullende schadevergoeding. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat geen nakoming kan worden gevorderd van zowel het boetebeding als van de hoofdverbintenis waaraan het boetebeding verbonden is. Naar het voorlopig oordeel van het hof is hiervan sprake. Zoals hiervoor is overwogen heeft de kantonrechter de vordering van SNCU tot naleving van de cao toegewezen. Dit is op één lijn te stellen met de aanspraak op medewerking tot het verschaffen van informatie omtrent de wijze waarop werkgever de cao heeft toegepast, nu het immers strekt tot nakoming van de cao-verplichtingen. Het bovenstaande kan uitzondering leiden als de boete gesteld zou zijn op de enkele vertraging, zoals SNCU heeft aangevoerd. Het hof zal het oordeel hierover aanhouden.