Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 februari 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:1589
werknemer/de publiekrechtelijke rechtspersoon Op/Maat en Achmea
Werknemer die lijdt aan een spastische tetraparese is in dienst van Op/Maat. Sinds begin 2011 werkte werknemer als koppel samen met Y, met wie hij een goede verstandhouding had. Op 15 maart 2011 is werknemer tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden in de hal van verzorgingstehuis Herfstzon ten val gekomen, nadat Y hem een vriendschappelijke schouderklop gaf. Werknemer is tegen een glazen kast gevallen, enkele minuten buiten bewustzijn geweest en heeft door de val een rugwervelfractuur opgelopen. Werknemer heeft blijvend letsel. Hij heeft Op/Maat en Y aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:658 jo. 6:170 BW.
Het hof oordeelt als volgt. Niet aannemelijk is geworden dat Y bij het geven van deze schouderklop waarvan de kantonrechter heeft vastgesteld dat deze vriendschappelijk van aard was, zodanige kracht heeft gebruikt dat hij er rekening mee moest houden dat werknemer daardoor zou vallen, ook al was hij bekend met de fysieke beperkingen van werknemer. Bij dit laatste acht het hof van belang dat niet is gebleken dat werknemer zodanig onvast ter been is dat hij bij een geringe aanraking als hier aan de orde zijn evenwicht zou verliezen en Op/Maat c.s. onbestreden hebben gesteld dat de fysieke beperkingen van werknemer in de periode van enkele maanden waarin werknemer en Y samenwerkten nooit tot problemen hadden geleid, bijvoorbeeld in de zin van valpartijen. Niet aangenomen kan worden dat sprake is geweest van een buitenproportionele handeling van Y. De door werknemer overgelegde verklaring van zijn moeder maakt dit niet anders. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de in artikel 7:658 BW neergelegde zorgplicht redelijkerwijs niet zo strekt dat Op/Maat instructies had moeten geven die lichamelijk contact zoals een schouderklop als de onderhavige verbieden. Uit de enkele omstandigheid dat Op/Maat c.s. op ander gebied gedetailleerde regels op schrift heeft vastgelegd vloeit niet zonder meer voort dat zij een verbod had moeten uitvaardigen als door werknemer bepleit. Werknemer heeft ter ondersteuning van deze grief voorts aangevoerd dat het nalaten van Op/Maat van het stellen van een gedragsregel als laatst bedoeld een schending oplevert van artikel 8 EVRM omdat het in deze bepaling besloten liggende recht op het respect voor het privéleven van een persoon mede omvat de fysieke integriteit van deze persoon. Het hof volgt werknemer daarin niet. Een vriendschappelijke schouderklop als die welke hier aan de orde is kan niet worden gezien als een schending van de fysieke integriteit die door genoemde verdragsbepaling wordt bestreken, zodat Op/Maat een dergelijke handeling ook tegen de achtergrond daarvan niet had behoeven te verbieden, nog daargelaten of een dergelijk verbod een impulsieve gedraging als die van Y zou hebben voorkomen.