Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/DDM Demontage
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20 mei 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:4053

werknemer/DDM Demontage

BBA is niet van toepassing op in Maleisië wonende en werkende medewerker. Toetsmoment is einde arbeidsovereenkomst. Gezichtspunten.

In een gesprek in Maleisië heeft de directeur van DDM aan werknemer meegedeeld dat de aandeelhouder van DDM Asia heeft besloten de activiteiten in Maleisië te staken en is hem de mogelijkheid aangeboden om voor de Duitse werkmaatschappij van DDM werkzaamheden te gaan verrichten in Duitsland. Werknemer heeft meegedeeld dat hij niet voor langere tijd in Europa wil werken en in Maleisië wil blijven wonen en werken. De centrale vraag in de onderhavige procedure is of op de arbeidsverhouding met werknemer het BBA van toepassing is. Werknemer stelt zich op het standpunt dat dit het geval is en voert daartoe het volgende aan. Hij is Nederlander, DDM is een Nederlandse onderneming, op de arbeidsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing en hij is vanuit Nederland uitgezonden naar Maleisië. Er is geen concreet vooruitzicht op tewerkstelling in het buitenland. Daarnaast heeft werknemer binding met Nederland: hij wordt in euro’s betaald op een Nederlandse bankrekening met Nederlandse vakantierechten, ADV-dagen en pensioenopbouw, hij heeft zijn huis in Nederland aangehouden en komt regelmatig naar Nederland. Hij heeft in de periode eind februari tot juni in Nederland bij diverse Nederlandse bedrijven gesolliciteerd. Dat hij met een Maleisische vrouw is getrouwd doet daar niet aan af nu zij bereid is te verhuizen.

Het hof oordeelt als volgt. Naar het oordeel van het hof is het BBA van toepassing in deze zaak, nu partijen in de arbeidsovereenkomst expliciet hebben gekozen voor de toepasselijkheid van het Nederlands recht. Toepasselijkheid van Nederlands recht houdt bij een arbeidsverhouding met internationale aspecten echter geen automatische toepasselijkheid in van artikel 6 BBA (HR 8 januari 1971, NJ 1971/129). Doorslaggevend is of de sociaal-economische belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij de internationale arbeidsverhouding zijn betrokken. Naar het oordeel van het hof kan er, mede gelet op het feit dat werknemer niet wenste in te gaan op het aanbod in Duitsland te gaan werken maar in Maleisië woonachtig en werkzaam te blijven, hij getrouwd is met een vrouw uit Maleisië en tot het einde van de arbeidsovereenkomst in Maleisië is blijven wonen, van worden uitgegaan dat werknemer niet naar Nederland wenste te terug te keren. Dit blijkt onder meer uit het gesprek van partijen op datum x en zijn e-mailbericht van datum y. Bovendien heeft werknemer, hoewel hem in het najaar al was meegedeeld dat besloten was de activiteiten in Maleisië te staken, de mogelijkheid van zowel een baan in Nederland als een baan ter plaatse, opengehouden en is hij in Maleisië blijven wonen. Hij heeft de mogelijkheden onderzocht om voor een ander internationaal bedrijf in Maleisië werkzaam te zijn, dan wel om voor zichzelf te beginnen en is daartoe, zo begrijpt het hof, inmiddels ook overgegaan. Het hof maakt de gevolgtrekking dat het belang van de Nederlandse arbeidsmarkt bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet betrokken is. Het hof ziet er niet aan voorbij dat bij de toepassing van artikel 6 BBA het belang van de arbeidsmarkt gerelativeerd dient te worden en dat het doel om werknemers te beschermen tegen ongerechtvaardigd ontslag de nadruk verdient. Gelet op zijn voornemen om in Maleisië te blijven wonen en werken, aan welk voornemen hij in ieder geval wat betreft zijn woonplaats uitvoering heeft gegeven, onderscheidt de situatie van werknemer zich van die van werknemers die werkzaam zijn in Nederland en is niet in te zien dat de sociaaleconomische verhoudingen in Nederland met zich brengen dat hij dezelfde bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag op grond van het BBA zou kunnen inroepen als deze in Nederland werkzame werknemers. Aldus is naar het oordeel van het hof voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst geen vergunning als bedoeld in artikel 6 BBA vereist. Het hof verwijst in dit verband naar zijn gelijkluidende oordeel van 12 juli 2011 (ECLI:GHARNL:2011:BR3312). Het tegen dit arrest ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad bij arrest van 12 juli 2013 (ECLI:HR:2013:BZ7389) met toepassing van artikel 81 Wet RO verworpen.