Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Concordia De Keizer
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 29 april 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:1515

werknemer/Concordia De Keizer

Ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding waardoor het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken, leidt tot gedeeltelijk verval van het concurrentiebeding.

Werknemer is in 2005 in dienst getreden van Concordia (een beursassurantiemakelaar) in de functie van Senior Sluiter Marine Hull. Op de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding van toepassing. Werknemer is per 1 januari 2009 benoemd tot Directeur Marine en Varia van Concordia. In verband met een reorganisatie is werknemer per 1 januari 2010 naast zijn functie van Directeur Marine en Varia ook eindverantwoordelijk geworden voor zowel beleid als resultaat van de brand-, motorrijtuigen- en particulierenafdeling; per genoemde datum is de functiebenaming van werknemer gewijzigd in die van Directeur Schadeverzekeringen. Nadat Concordia Holland is gefuseerd met De Keizer Assurantie B.V., is werknemer per 11 september 2012 benoemd tot statutair bestuurder/Chief Operations Officer van de nieuwe organisatie Concordia De Keizer. Bij brief van 28 juni 2013 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst met Concordia opgezegd tegen 1 augustus 2013. Per 1 augustus 2013 is werknemer in dienst getreden van assurantiemakelaar Howden Insurance Brokers Nederland B.V. (hierna: Howden); per 8 augustus 2013 is hij benoemd tot statutair bestuurder van genoemde vennootschap. Howden is een concurrent van Concordia.

Het hof oordeelt als volgt. Het concurrentiebeding verbiedt het hebben van zakelijke contacten met de verzekerden van Concordia waarvoor werknemer in dienst van Concordia werkzaamheden heeft verricht (waarbij Concordia als verzekeraar of assurantietussenpersoon optrad). Een dergelijk verbod om zaken te doen met (voormalig) verzekerden van Concordia waarvoor werknemer in dienst van Concordia werkzaamheden heeft verricht, heeft door de functiewijziging van werknemer een veel ruimere strekking gekregen. Het gaat daardoor niet meer alleen om de zgn. marineverzekerden maar om alle hierboven bedoelde verzekerden van Concordia, waarbij voorts van belang is dat door de fusie met De Keizer onweersproken het aantal verzekerden ongeveer is verdubbeld. Het hof acht voorshands aannemelijk dat de werkzaamheden van werknemer als gevolg van zijn functie als directeur schade en vervolgens statutair directeur daadwerkelijk betrekking hadden op die ruimere groep verzekerden. Aldus is de reikwijdte van het concurrentiebeding in horizontale zin aanmerkelijk uitgebreid. Voorts breidt het concurrentiebeding de verboden handelingen als volgt uit: ‘Onder het hebben van de hier genoemde “zakelijke contacten” is begrepen het acquireren in de meest ruime zin van het woord, dan wel het betrokken zijn bij dergelijke acquisitie, van verzekeringen, dan wel het trachten verzekeringen te verkopen, dan wel het daadwerkelijk verzekeringen verkopen, dan wel het op welke wijze dan ook bemiddelen bij het tot stand komen van verzekeringsovereenkomsten aan natuurlijke- of rechtspersonen, één en ander voor eigen rekening c.q. voor rekening van een ander dan werkgever.’ Bij de beoordeling moet ervan worden uitgegaan dat een eventuele andere functie van werknemer op (minstens) eenzelfde niveau zal zijn als bij Concordia uiteindelijk het geval was, en dat betekent dat voormelde uitbreiding tot gevolg heeft dat het ‘verboden gebied’ zich niet alleen uitstrekt tot de contacten die werknemer daar zelf heeft, maar op alle contacten, ook die van andere medewerkers, waarbij hij (in)direct is betrokken. Als directeur in een leidinggevende functie zal werknemer immers al snel ‘betrokken zijn bij’ zakelijke contacten van medewerkers met verzekerden van Concordia die onder het beding vallen. En hoe hoger de functie, hoe meer dat het geval zal zijn. De reikwijdte van het concurrentiebeding is aldus ook in verticale zin aanmerkelijk uitgebreid. Het bovenstaande leidt er – in onderlinge samenhang bezien – toe dat het concurrentiebeding, uitgelegd zoals hiervoor weergegeven, voor werknemer als gevolg van zijn ingrijpende functiewijziging(en) aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken, aangezien de beperkingen die daaruit voorvloeien het voor hem als gevolg van die functiewijziging(en) beduidend moeilijker maakten om een nieuwe baan te vinden op een vergelijkbaar niveau. Een en ander leidt tot het oordeel dat – in de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2007 ECLI:NL:HR:2007:AZ2224 – het concurrentiebeding niet in zijn geheel zijn gelding heeft verloren, maar dat dit beding in stand blijft uitsluitend voor zover dit werknemer verbiedt om zelf zakelijke contacten te onderhouden met marineverzekerden van Concordia – zoals overigens in het concurrentiebeding omschreven – waarvoor hij destijds zelf en rechtstreeks werkzaamheden heeft verricht. Het hof ziet in vorenstaande aanleiding de werking van het concurrentiebeding, zoals werknemer subsidiair heeft gevorderd, op te schorten voor zover dit verder strekt dan hierboven sub 11 is omschreven, totdat daarover in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist. Dat brengt voorts mee dat de veroordeling in reconventie in eerste aanleg in zoverre dient te worden beperkt.