Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 10 juni 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:4686
werkgever/FNV c.s.
Bedrijf X is een dochter van werkgever. In juli 2008 heeft MN Services aan bedrijf X meegedeeld dat uit een werkingssfeeronderzoek is gebleken dat bedrijf X, gelet op de sinds 1 juli 2008 bij haar verrichte werkzaamheden, verplicht is om vanaf die datum deel te nemen aan de pensioen- en cao-regelingen in de bedrijfstak Metaal en Techniek/Technisch Installatiebedrijf, waaronder deelneming aan het Bedrijfstakpensioenfonds Metaal en Techniek (hierna te noemen: PMT). Bedrijf X heeft het pensioen van na 1 juli 2008 in dienst genomen werknemers bij PMT ondergebracht. Bij deze werknemers is een premieverdeling van ½ werkgever - ½ werknemer toegepast. Het pensioen van de 34 vóór 1 juli 2008 in dienst getreden werknemers heeft bedrijf X bij Aegon gelaten. Op deze werknemers is bedrijf X (bij het inhouden van premie) de premieverdeling 1/3 werknemer - 2/3 werkgever blijven toepassen. Bedrijf X heeft in april 2011 bij de centrale ondernemingsraad van werkgever (hierna te noemen: de COR) een instemmingsaanvraag ex artikel 27 WOR gedaan voor het voldoen aan de wettelijke verplichting om het pensioen van de resterende 34 werknemers van bedrijf X bij PMT onder te brengen. Het gemiddelde effect op het nettoloon van de medewerkers is € 71,40 netto per maand. Voor vijf medewerkers is het effect groter dan € 100. De COR heeft de instemming niet verleend. Bedrijf X heeft de eerder bij Aegon verzekerde werknemers alsnog bij PMT aangemeld en zij heeft de meerkosten aan pensioenpremie voor de betrokken werknemers over de periode van juli 2008 tot en met mei 2011 voor haar rekening genomen. Met ingang van 1 juni 2011 is zij de helft van de sindsdien verschuldigde premie gaan inhouden op het loon van de betrokken werknemers. Hierdoor ontvangen (de meeste van) deze werknemers per saldo minder loon. De werkgeversbijdrage van 50% aan PMT leidt ook voor bedrijf X tot een hoger bedrag dan het werkgeversdeel dat zij aan Aegon moest voldoen, welk verschil over 2011 door haar pensioenadviseur is berekend op € 21.100 op jaarbasis. Binnen de gehele onderneming van werkgever wordt vanaf 1 juni 2011 een pensioenpremieverdeling van ½ werknemer - ½ werkgever toegepast. De vakbonden stellen zich op het standpunt dat de werkgever ten onrechte de nieuwe premieverdeling toepast.
Het hof oordeelt als volgt. Het onderbrengen van het pensioen bij PMT staat niet ter discussie. De vraag is evenwel of werkgever gerechtigd is tot een andere pensioenpremieverdeling te komen. Volgens werkgever volgt dat recht uit de verplichte aansluiting bij PMT en de toepasselijke cao. De kantonrechter heeft naar het oordeel van het hof evenwel terecht overwogen dat is gesteld noch gebleken dat de cao standaard- dan wel maximumbepalingen kent, en geoordeeld dat voor de werknemer gunstiger bedingen daarmee zijn toegestaan. Het mag zo zijn dat artikel 69 lid 2 van de cao een ongeclausuleerd recht op verhaal van 50% van de premies geeft, zoals werkgever aanvoert, maar dat neemt niet weg dat een werkgever zelf zijn recht hierop kan beperken ten gunste van werknemers.
Het hof stelt hierbij voorop dat, anders dan FNV c.s. betogen en ook de kantonrechter lijkt te overwegen, niet aan de orde is of werkgever op de voet van artikel 19 PW de pensioenovereenkomst eenzijdig mocht wijzigen. Die overeenkomst is immers gewijzigd als gevolg van de, op de wet gebaseerde, verplichtstelling. Het gaat hier om een door werkgever gewenste wijziging van secundaire arbeidsvoorwaarden omtrent de premieverdeling, welke arbeidsvoorwaarde in het kader van de harmonisatie werd gecontinueerd voor werknemers met een Aegon-pensioen, en voor welke wijziging de inmiddels beëindigde Aegon-pensioenovereenkomst in artikel 29 lid 3 een basis bood. Hoewel de secundaire arbeidsvoorwaarden en de pensioenovereenkomst niet in hetzelfde document zijn neergelegd, kwalificeert het hof artikel 29 lid 3 van de Aegon-pensioenovereenkomst als een wijzigingsbeding zoals bedoeld in artikel 7:613 BW, doch met een beperkte strekking: alleen ten aanzien van de omvang van het werkgeversdeel in de pensioenpremie. Het hof is van oordeel dat deze wijzigingsbevoegdheid voldoende kenbaar was voor de werknemers.
Getoetst moet worden of werkgever een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij de wijziging, dat de geschade belangen van de betrokken werknemers daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moeten wijken.
Het hof is van oordeel dat, nu de wijziging van de pensioenovereenkomst geen vrije keus was van werkgever maar het gevolg is van de wettelijk verplichte deelneming en de voorgestelde wijziging in de met het pensioen samenhangende arbeidsvoorwaarden is gebaseerd op een cao-bepaling waaraan werkgever gebonden is, in beginsel mag worden aangenomen dat werkgever een zwaarwegend belang heeft bij die wijziging. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat, onder deze omstandigheden, voor die kwalificatie niet is vereist dat werkgever de financiële gevolgen niet of nauwelijks kan dragen. Werkgever heeft terecht aangevoerd dat de sociale partners de premieverdeling in de cao kennelijk voor beide partijen acceptabel hebben bevonden. De aan PMT te betalen premie is aanmerkelijk hoger dan de premie aan Aegon, zodat werkgever en de zittende werknemers ook zonder aanpassing van de verdeelsleutel voor hogere lasten kwamen te staan. Anders dan voor werkgever staat daar voor de zittende werknemers een voordeel tegenover, namelijk een betere pensioenvoorziening. Onder deze omstandigheden is het hof is van oordeel dat werkgever gebruik mocht maken van haar wijzigingsbevoegdheid, indien zij vanaf 1 juni 2011 een overgangsperiode in acht zou nemen van een kalenderjaar waarin de betrokken werknemers zich konden instellen op een lager nettosalaris als gevolg van een premieverdeling conform artikel 69 lid 2 van de cao.
Niettegenstaande het voorgaande hebben de vakbonden uiteindelijk hun gevorderde verklaring voor recht alsnog gekregen op andere gronden.