Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Woonzorg Nederland/werknemer
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 5 juni 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:3535

Stichting Woonzorg Nederland/werknemer

Ontbinding arbeidsovereenkomst topfunctionaris Woonzorg wegens functieverval. Maximale vergoeding op grond van WNT (€ 75.000) geldt als uitgangspunt, waarbij getoetst wordt of sprake is van een evident onbillijke uitkomst. In casu geen evident onbillijke uitkomst vanwege schadeloosstelling van € 131.925 bruto op grond van CAO Woondiensten.

Werknemer is in dienst van Woonzorg. Woonzorg verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit op grond van de boventalligheid van werknemer en het feit dat er geen andere passende functie voor hem beschikbaar is. Woonzorg stelt dat een vergoeding van maximaal € 75.000 op zijn plaats is. Werknemer is immers topfunctionaris in de zin van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), welke wet een maximale beëindigingsvergoeding kent van voornoemd bedrag. Werknemer stelt dat er wel degelijk functies voor hem beschikbaar zijn, zodat het ontbindingsverzoek dient te worden afgewezen. Mocht het ontbindingsverzoek toch worden toegewezen, dan stelt hij dat de WNT niet op de ontbindingsprocedure van toepassing is en verzoekt hij een vergoeding met C=1 (€ 305.700 bruto) toe te kennen.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat werknemer niet, dan wel onvoldoende, heeft betwist dat er op dit moment geen voor werknemer passende vacatures bij Woonzorg dan wel bij de aan Woonzorg gelieerde organisatie Espria aanwezig zijn. Het standpunt dat Woonzorg voor hem een functie in het kernteam had kunnen en moeten creëren, wordt niet gevolgd, omdat Woonzorg beleidsvrijheid toekomt om haar organisatie in te richten zoals haar dat goeddunkt. Nu er geen passende alternatieve functies voorhanden zijn, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt de WNT als uitgangspunt genomen en niet de kantonrechterformule. Zoals de Kantonrechter Rotterdam (21 maart 2014, JAR 2014/116) eerder overwoog is de in de WNT opgenomen maximering van de ontslagvergoeding een in recente wetgeving verankerde neerslag van het maatschappelijk breed gedragen gevoelen dat in de (semi)publieke sector in beginsel geen plaats meer is voor hoge ontslagvergoedingen die betaald worden uit de publieke middelen. Om te voorkomen dat de WNT aan kracht zal inboeten, is van belang dat ook voor de kantonrechter de maximale vergoeding op grond van de WNT als uitgangspunt geldt en zal aldus – overeenkomstig de maatstaf voor toetsing van de in een sociaal plan opgenomen ontbindingsvergoeding – beoordeeld worden of de aangeboden vergoeding tegen deze achtergrond tot een evident onbillijke uitkomst voor werknemer leidt. Niet valt in te zien waarom dit uitgangspunt niet ook zou gelden in gevallen, zoals in casu, waarin de werknemer geen verwijt gemaakt kan worden ter zake van de ontbindingsgrond. De stelling dat in dit geval sprake zou zijn van een evident onbillijke uitkomst, wordt niet gevolgd. Dat geldt temeer nu de kantonrechter als omstandigheid bij de beoordeling van de hoogte van een billijke vergoeding eveneens dient te betrekken op welke overige schadeloosstellingen van Woonzorg werknemer aanspraak kan maken. Ter zitting heeft Woonzorg erkend dat werknemer in aanmerking komt voor de in artikel 2.13 van de CAO Woondiensten geformuleerde schadeloosstelling. Uitgaande van een 15-jarig dienstverband heeft werknemer recht op daar bedoelde aanvulling op de WW-uitkering gedurende 15 maanden. Dit komt neer op een vergoeding van (15 x € 8.795 =) € 131.925 bruto. Bij optelling van dit bedrag bij de maximale vergoeding van € 75.000 wordt het verschil tussen een vergoeding naar C=1 op grond van de kantonrechtersformule en de vergoeding op grond van de WNT in belangrijke mate gerelativeerd. Volgt toekenning van een vergoeding van € 75.000.