Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft met een arbeidsomvang van 53 uur per week. Werkgever betwist dat sprake is van een dergelijke overeenkomst en stelt zich op het standpunt dat sprake is van een oproepovereenkomst voor de duur van drie maanden. Bovendien zou werknemer ontslag hebben genomen (terwijl werknemer zich op het standpunt stelt dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen).
Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat er een arbeidsovereenkomst is. De bewijslast van de door de werknemer betwiste stelling dat een arbeidsovereenkomst is geëindigd doordat de werknemer ontslag heeft genomen, rust op de werkgever. In een kort geding is dan voldoende dat deze de ontslagname voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarvan is in dit geval geen sprake, terwijl uit de getuigenverklaring van werknemer zelf het tegendeel volgt. Mede gelet op de uren waarop werknemer volgens werkgever in december 2013 heeft gewerkt zal het hof, bij gebrek aan een ander aanknopingspunt voor de gebruikelijke arbeidsomvang bij deze specifieke werkgever of horecabedrijven van vergelijkbare soort, vooralsnog uitgaan van een overeengekomen volledige werkweek van gemiddeld 38 uur, hetgeen gebruikelijk is in de horecabranche in het algemeen, getuige de twee – overigens niet algemeen verbindend verklaarde – in 2013 vigerende cao’s (voor het Horecabedrijf resp. het Horeca- en aanverwante bedrijf). Naar het oordeel van het hof is, gelet op het voorgaande en op basis van wat thans over de feiten bekend is, voldoende aannemelijk dat werknemer een arbeidsovereenkomst heeft die nog niet is geëindigd en uit hoofde waarvan hij aanspraak heeft op het minimumloon.