Naar boven ↑

Rechtspraak

EBS Public Transportiation/Arriva Personenvervoer Nederland
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 18 juni 2014
ECLI:NL:RBNNE:2014:3077

EBS Public Transportiation/Arriva Personenvervoer Nederland

Vervreemder-concessiehouder is jegens verkrijger-concessiehouder niet aansprakelijk voor het niet (juist) aanbieden van tijdsevenredige nascholing in de zin van Richtlijn 2003/59/EG (Richtlijn Vakbekwaamheid).

Arriva heeft tot 10 december 2011 het stadsvervoer regio Waterland uitgevoerd. Vanaf deze datum is de concessie gegund aan EBS. Door de overname van de concessie traden onder meer de buschauffeurs, die herleidbaar waren tot het openbaar busvervoer in de regio Waterland – op grond van artikel 37 van de Wet personenvervoer 2000 – van rechtswege en onder de ‘oude’ arbeidsvoorwaarden in dienst van EBS. Op grond van de Europese Richtlijn Vakbekwaamheid geldt vanaf september 2008 een verplichte basiskwalificatie. De kwalificatie wordt op het rijbewijs aangeduid met code 95. Voorts is 35 uur nascholing per vijf jaar verplicht. In deze procedure vordert ESB een verklaring voor recht dat Arriva jegens EBS toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld c.q. nagelaten door – al dan niet bewust in het zicht van de concessieovergang – in de periode tussen 10 september 2008 en 10 december 2011 aan haar werknemers geen tijdsevenredige nascholing in de zin van Richtlijn 2003/59/EG aan te bieden. EBS heeft gesteld dat hoewel er geen ‘harde’ wettelijke plicht bestaat om de nascholing tijdsevenredig in de daarvoor toegestane tijd aan te bieden, het in de vervoersbranche alom aanvaard en ook gebruikelijk is dat de nascholing tijdsevenredig over de daarvoor toegestane tijd wordt aangeboden. EBS is er dan ook van uitgegaan – en mocht daar volgens haar ook van uitgaan – dat de nascholing tijdsevenredig had plaatsgevonden door Arriva. Na de overgang van de concessie voor de regio Waterland naar EBS, heeft EBS echter geconstateerd dat Arriva de nascholing van haar werknemers heeft uitgesteld, dan wel deze – bewust dan wel onbewust – niet tijdsevenredig aan haar beroepschauffeurs heeft aangeboden. In de jaren 2010 en 2011 zijn er – op een aantal scholingsdagen in verband met de verplichte EHBO-diplomering na – nagenoeg geen nascholingsactiviteiten meer verricht. Arriva heeft noch in het kader van de aanbestedingsprocedure, noch in het kader van de afspraken tussen partijen in verband met de concessieovergang, melding gemaakt van deze aanzienlijke nascholingsachterstand, terwijl zij wist (gelet op de conceptgedragslijn), althans moest weten (gelet op de cao) dat zij met haar nalaten de opvolgend concessiehouder zou benadelen. EBS vordert een bedrag van € 250.000 aan schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de in het geding gebrachte stukken – waaronder met name bijlage 23A van de cao – weliswaar dat in de branche overeenstemming bestaat omtrent het uitgangspunt dat scholing deel uitmaakt van een continu en dynamisch proces en omtrent de wenselijkheid dat nascholing niet wordt uitgesteld, juist om ongewenste neveneffecten bij een concessiewisseling te voorkomen, maar deze overeenstemming omtrent voornoemd uitgangspunt en omtrent de wenselijkheid dat nascholing niet wordt uitgesteld, brengt naar het oordeel van de rechtbank nog niet met zich dat Arriva in strijd heeft gehandeld (dan wel heeft nagelaten) met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door de nascholing niet tijdsevenredig aan te bieden. Dit uitgangspunt en deze wenselijkheid brengen immers nog niet met zich dat gesproken kan worden van een ongeschreven norm. EBS heeft op dit punt nagelaten haar stellingen voldoende te onderbouwen. Bij gebreke van een wettelijke verplichting tot het aanbieden van tijdsevenredige nascholing en bij gebreke van enig gebruik daartoe, valt – zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt – ook niet in te zien dat, zoals EBS stelt, EBS ervan mocht uitgaan dat de nascholing door Arriva tijdsevenredig was aangeboden. Vast staat dat Arriva EBS vóór de overgang van de concessie heeft verwezen naar de CCV voor wat betreft de opleidingsgegevens van de chauffeurs. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Arriva niet onrechtmatig jegens EBS heeft gehandeld door de nascholing aan de onderhavige chauffeurs niet tijdsevenredig aan te bieden. Ook van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van Arriva ten koste van EBS is op grond van het voorgaande geen sprake. Van ongerechtvaardigde verrijking is immers geen sprake, nu de rechtvaardiging voor de handelwijze van Arriva is gelegen in de omstandigheid dat zij heeft gehandeld binnen de kaders van regels en voorschriften van het aanbieden van nascholing.