Rechtspraak
werknemer/X c.s.
Werknemer is sinds 1981 in dienst van werkgeefster, een garagebedrijf. Laatstelijk is hij werkzaam als hoofd administratie. Het UWV heeft toestemming voor opzegging verleend vanwege staking van de bedrijfsactiviteiten. Aan klanten is kenbaar gemaakt dat X een nieuwe onderneming zal starten in het pand van werkgeefster. Werknemer stelt dat sprake is van een overgang van onderneming en dat hij van rechtswege in dienst is getreden van X. Hij vordert loondoorbetaling. Werkgeefster betwist de vordering en stelt dat geen sprake is van identiteitsbehoud.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er is (in elk geval) sprake van overgang van een zelfstandig onderdeel van de onderneming van werkgeefster op X, te weten het dealerschap en het herstelbedrijf betreffende het merk Hyundai. De twee door X opgerichte vennootschappen gaan vanuit het pand waar werkgeefster voorheen het dealerschap en schadeherstelbedrijf voerde, dezelfde werkzaamheden verrichten, met dien verstande dat waar werkgeefster zich in belangrijke mate richtte op de verkoop van Hyundai, X dat nog vrijwel uitsluitend zal doen. Voorts heeft X ten behoeve van haar nieuwe onderneming in de regio Heemskerk, waar zij immers voorheen nog niet gevestigd was, een belangrijk deel van de activa overgenomen, zal zij de contracten met Schadegarant en leveranciers van werkgeefster zo veel mogelijk voortzetten en hebben partijen afspraken gemaakt over de garantiewerkzaamheden aan door werkgeefster verkochte auto’s en over provisie. Ook het klantenbestand is overgegaan. De beëindiging van de onderneming van werkgeefster en de start van die van X gaan vrijwel naadloos in elkaar over. Ten slotte hebben werkgeefster en X, gelet op de berichten in de media en hun brieven aan klanten, naar buiten toe de indruk gewekt dat sprake is van een voortzetting van de bedrijfsactiviteiten van werkgeefster door X. Het beroep van werknemer op de vernietiging van de opzegging wegens strijd met het opzegverbod van artikel 7:670 lid 8 BW slaagt. De opzegging was immers gegrond op bedrijfsbeëindiging, terwijl is vastgesteld dat daarvan geen sprake is. De loonvordering wordt toegewezen. Voor wat betreft de vordering tot wedertewerkstelling heeft X aangevoerd dat zij een ontslagvergunning (voor zover vereist) heeft gevraagd, omdat in haar organisatie voor een administratief medewerker zoals werknemer geen ruimte is. Werknemer heeft dat verweer onvoldoende weerlegd terwijl hij bij wedertewerkstelling in afwachting van de procedure bij het UWV ook onvoldoende belang heeft aangevoerd, zodat die vordering wordt afgewezen.