Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 20 augustus 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:3534
werknemer/SVO Holding B.V.
Werknemer is op 20 mei 2008 in dienst getreden van SVO als taaldocent op basis van een overeenkomst met uitgestelde prestatieplicht. SVO is een opleidingspartner en ontwikkelingspartner voor de versevoedingsbranche. Werknemer gaf gebruikelijk op maandag en donderdag les. SVO heeft werknemer op 28 augustus 2013 laten weten dat lessen op donderdag zijn komen te vervallen. SVO heeft in de maanden september 2013 en oktober 2013 aanvankelijk enkel het loon ten behoeve van de werkzaamheden van werknemer op maandagen voldaan, maar later ook de niet-verrichte werkzaamheden op donderdag uitbetaald. SVO heeft de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2014 opgezegd. Werknemer stelt onder meer dat SVO de arbeidsovereenkomst ten onrechte zonder toestemming van het UWV heeft opgezegd. Hij beroept zich op de vernietigbaarheid van de opzegging en stelt dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft. Ook vordert hij betaling van achterstallig loon en vakantie-uren. Subsidiair stelt hij dat de opzegging kennelijk onredelijk is en vordert hij herstel van dienstbetrekking, dan wel schadevergoeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Een eerder oordeel van de voorzieningenrechter omtrent de toepasselijkheid van artikel 7:610b BW wordt gevolgd. Toepassing van dit wetsartikel leidt tot een gemiddelde van 79 uren per maand over de maanden januari 2013 tot en met januari 2014. Voor zover deze uren niet zijn betaald, dienen deze uren alsnog te worden uitbetaald. In de arbeidsovereenkomst is expliciet vermeld dat gekozen is voor een ‘hoger all-in uurtarief’. SVO beroept zich daar ook op. Werknemer heeft niet betwist dat het all-inloon bijna twee keer zo hoog is als het loon van de werknemers die onder de CAO BVE of KBB vallen. Voorts is niet gesteld of gebleken dat werknemer gedurende het dienstverband met SVO van ruim vijf jaar ooit om vaststelling van doorbetaalde vakantiedagen heeft verzocht, of dat hij op enig moment aan SVO te kennen heeft gegeven dat de regeling omtrent de vakantiedagen onredelijk was. Kennelijk was duidelijk dat het recht op vakantiedagen (inderdaad) in het all-inuurloon was verdisconteerd. Werknemer heeft verder nagelaten te stellen dat hij niet de mogelijkheid heeft gekregen om te recupereren. De gevorderde vakantiedagen worden afgewezen.
Aan werknemer kan worden toegegeven dat er vraagtekens zijn te zetten bij het onderbrengen van de arbeidsovereenkomst met hem bij SVO Holding in plaats van bij SVO Opleidingen. De website van de SVO Groep vermeldt immers dat SVO Opleidingen binnen de SVO Groep verantwoordelijk is voor de uitvoering van de door het ministerie van OCW bekostigde mbo-opleidingen. Werknemer heeft de aangeboden arbeidsovereenkomst met SVO Holding aanvaard. In alle vervolgens apart aangegane overeenkomsten met SVO Holding is expliciet opgenomen dat geen cao van toepassing is, dat de werknemer ‘bewust en ondubbelzinnig’ kiest voor een ‘hoger All-in uurtarief’ (art. 3 lid 1 arbeidsovereenkomst) dat in dit uurtarief verdisconteerd is en dat de medewerker afstand doet van een eventueel recht op deelname aan een pensioenregeling, ziektekostenregeling en andere arbeidsvoorwaardenregelingen van SVO. Werknemer heeft niet aannemelijk kunnen maken dat er geen sprake was van de door SVO gestelde uitermate grote discrepantie tussen de hoogte van zijn loon en dat van de werknemers van SVO Opleidingen. SVO stelt daarom terecht dat werknemer van twee walletjes wenst te eten, hetgeen nog wordt benadrukt door het feit dat werknemer ook nog eens een verklaring voor recht vraagt dat hij bij toewijzing van zijn vordering met betrekking tot het pensioen het werknemersdeel (toch) niet hoeft te betalen. Op grond van artikel 2 lid 1 onder b BBA is het BBA niet van toepassing. Ondanks het feit dat werknemer in dienst is van SVO Holding, blijft de belangrijkste doelstelling van de organisatie het geven van onderwijs en de holding ondersteunt de onderdelen van de SVO Groep daarin, met activiteiten die daaraan ondergeschikt zijn. Nu geen toestemming voor opzegging was vereist, is de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig opgezegd. Ten aanzien van het beroep op kennelijk onredelijk ontslag, in het bijzonder het gevolgencriterium, wordt overwogen dat werknemer onvoldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan.