Naar boven ↑

Rechtspraak

MNO Vervat-Wegen/Van der Werken
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 september 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3971

MNO Vervat-Wegen/Van der Werken

Weigering repatriëring gedetacheerde werknemer naar Nederland leidt niet tot een weigering passende arbeid te verrichten ex artikel 7:629 BW. Repatriëring wordt beheerst door artikel 7:611 BW.

Werknemer is per 12 april 2010 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij MNO in de functie van hoofduitvoerder waterbouw. In de bijlage bij de schriftelijke arbeidsovereenkomst (getekend begin 2010) is bepaald dat MNO de kosten van lokale huisvesting te Suriname zal dragen voor een periode van maximaal drie jaar. Werknemer is vanaf april 2013 arbeidsongeschikt wegens ziekte. Met ingang van 24 juni 2013 heeft MNO geen loon meer betaald. Daartoe stelt MNO dat werknemer weigert mee te werken aan de verhuizing naar Nederland en daardoor zijn re-integratie belemmert. Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij prima kan re-integreren in Suriname. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld, kort samengevat, dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met tewerkstelling in het buitenland, dat MNO niet aannemelijk heeft gemaakt waarom de integratie in Nederland gunstiger zou zijn dan in Suriname en dat van MNO mag worden verwacht om ter plaatse (in Suriname) te zoeken naar tijdelijke passende werkzaamheden.

Het hof oordeelt als volgt. De schriftelijke arbeidsovereenkomst noch het ‘Aanvullend contract buitenland’ bepaalt uitdrukkelijk dat Van der Werken in Suriname was tewerkgesteld voor een vaste periode van drie jaar. De aanvullende overeenkomst houdt slechts in dat de werkgever de kosten van huisvesting in Suriname gedurende maximaal drie jaar zal vergoeden. Daaruit is niet af te leiden dat partijen hebben bedoeld overeen te komen dat werknemer ongeacht de verdere omstandigheden na een periode van drie jaar naar Nederland zou terugkeren. De tekst van de arbeidsovereenkomst en de aanvulling daarop geven echter, anders dan werknemer verdedigt, ook geen aanleiding te veronderstellen dat partijen hebben bedoeld overeen te komen dat Van der Werken voor de gehele (onbepaalde) duur van de arbeidsovereenkomst in Suriname zou blijven werken. Het hof oordeelt dat de repartriëring wordt beheerst door het goed werkgever- en werknemerschap.

Of in casu loon verschuldigd is, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 7:629 lid 3 BW. Er is in voldoende mate gebleken dat werknemer heeft geweigerd passende arbeid te verrichten of mee te werken aan redelijke voorschriften die erop zijn gericht om hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten, zoals bedoeld in artikel 7:629 lid 3 onder c en d BW. In dit verband is van belang dat MNO blijkens haar brief aan werknemer van 29 mei 2013 aan werknemer slechts in algemene bewoordingen de instructie heeft gegeven terug te keren naar Nederland zonder daarbij te wijzen op door werknemer aldaar te verrichten passende arbeid, laat staan dat hem concreet werd voorgehouden waaruit deze passende arbeid zou bestaan. De instructie om naar Nederland te verhuizen kan dan ook, alleen al vanwege het ontbreken van een deugdelijke toelichting, voorshands niet worden gezien als een redelijke instructie die erop is gericht om Van der Werken in staat te stellen om passende arbeid te verrichten in het kader van zijn re-integratie. Nu werkgever voorts het advies van de bedrijfsarts – al dan niet middels een mediator – met werknemer in gesprek te komen, heeft genegeerd, past het niet een beroep op artikel 7:629 BW te doen.