Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/QlikTech
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 2 september 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3952

werknemer/QlikTech

Het alsnog aanbieden van de initieel overeengekomen, maar later gewijzigde, ontslagvergoeding na uitdrukkelijke verwerping van het ontslagaanbod door werknemer, leidt niet tot overeenstemming met wederzijds goedvinden. Het mislopen van uitoefenrechten uit het optieplan dient de werkgever wegens schending van artikel 7:611 BW te vergoeden.

Tussen partijen is in de periode mei t/m juli 2013 onderhandeld over een beëidigingsovereenkomst. Aanvankelijk leek overeenstemming te zijn bereikt, maar gooide een aanpassing van de ontslagvergoeding roet in het eten. Nadat werkgever – bij een tweede ronde – de initiële ontslagvergoeding handhaaft, wordt alsnog overeenstemming bereikt (einddatum 1 juli 2013). Vervolgens ontstaat discussie over eventuele optieschade. Omdat partijen er niet uit zijn gekomen, vordert werknemer thans doorbetaling van loon en tewerkstelling. QlikTech (werkgever) stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd met wederzijds goedvinden.

Het hof oordeelt als volgt. De uitdrukkelijke verwerping van het aanbod door werknemer (eerste ronde), brengt met zich dat het daarna alsnog instemmen met een hogere ontslagvergoeding niet leidt tot overeenstemming van die eerste overeenkomst. De oprichting van een stamrecht-bv kan evenmin leiden tot de aanname dat overeenstemming was bereikt.

Met betrekking tot de schade wegens het niet kunnen uitoefenen van optierechten, oordeelt het hof als volgt. Door het handelen van QlikTech is werknemer de mogelijkheid ontnomen om de op 5 augustus 2013 en 7 september 2013 vrijgevallen opties uit te oefenen. Deze vrijgevallen opties vertegenwoordigden een waarde van in totaal USD 18.065,17, dit is in euro’s € 13.526,89. Werknemer vordert een voorschot op de door hem geleden schade ter hoogte van dit bedrag wegens het niet kunnen uitoefenen van de aan hem toegekende opties van 5 augustus 2013 en 7 september 2013. Tegen toewijzing van deze vordering heeft QlikTech allereerst aangevoerd dat de optieovereenkomst is gesloten tussen werknemer en Qlik Technologies Inc. en dat werknemer zich tot deze vennootschap moet wenden indien hij meent nog aanspraken te hebben uit hoofde van de optieovereenkomst. Dit verweer miskent dat de opties aan werknemer, zoals hij ook stelt en QlikTech niet heeft weersproken, zijn toegekend door QlikTech als werkgeefster van werknemer en dat niet relevant is dat de opties aandelen betreffen in Qlik Technologies Inc. De vordering strekt ook niet tot nakoming maar is gegrond op de omstandigheid dat QlikTech in haar verplichtingen als werkgeefster tekort is geschoten. QlikTech heeft voorts naar voren gebracht dat de verhouding tussen QlikTech en werknemer beheerst wordt door de finale kwijting uit de vaststellingsovereenkomst zodat werknemer geen aanspraken meer heeft op QlikTech. Zoals hiervoor is overwogen, faalt naar ’s hofs voorlopige oordeel het beroep van QlikTech op het bestaan van een vaststellingsovereenkomst en daarmee ook het beroep op de finale kwijting die daarin is gegeven. QlikTech heeft niet weersproken dat de schade die werknemer lijdt doordat hij de opties op de bovengenoemde data niet heeft kunnen uitoefenen door handelen van QlikTech de omvang heeft die werknemer heeft berekend.