Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 3 juli 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:6000

werkgeefster/werknemer

Na afwijzing eerder ontbindingsverzoek wegens incident met bewoner, heeft werkgeefster halsstarrig vastgehouden aan het eigen gelijk. Arbeidsongeschiktheid werknemer is daardoor blijven bestaan en verergerd. Beroep van werkgeefster op predispositie werknemer is volstrekt misplaatst. Ontbinding met C=5 (€ 141.701,40 bruto).

Werknemer is sinds 2004 in dienst als begeleider nachtdienst op een van de locaties van werkgeefster, een instelling die intensieve zorg biedt aan (jong)volwassenen met complexe gedrags- en psychiatrische problemen. In de nacht van 9 op 10 juni 2013 heeft zich tijdens de nachtdienst een incident voorgedaan met een bewoner, waarbij de bewoner letsel aan zijn rug heeft opgelopen (forse schaafwond). Het naar aanleiding van dit incident door werkgeefster ingediende ontbindingsverzoek is afgewezen (zie AR 2014-0326). Werknemer is sinds het incident arbeidsongeschikt. In maart en april 2014 is hij gedurende een periode van zes weken opgenomen geweest in een verslavingskliniek. Thans verzoekt werkgeefster wederom ontbinding. Er is volgens haar sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk nu de mediation niet het gewenste effect heeft gehad en dat wel als voorwaarde geldt voor terugkeer van werknemer. Werkgeefster is bereid een vergoeding te betalen met C=1 (€ 28.340,28 bruto). Werknemer heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend en verzoekt een vergoeding toe te kennen van € 145.152,30.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu beide partijen zich niet (langer) verzetten tegen toewijzing van het verzoek van de andere partij, zal de ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden uitgesproken. De reactie van werkgeefster op het incident was onevenwichtig, waarover in de beschikking d.d. 27 november 2013 al het nodige is gezegd. Partijen hebben inmiddels gebruik gemaakt van mediation. De kantonrechter volgt werkgeefster niet waar zij aan de mediation de eis verbindt dat daarin een ‘gewenst effect’ moest worden bereikt. De mediation was niet bedoeld om werknemer in dat traject een soort examen te laten afleggen als voorwaarde voor zijn werkhervatting, noch mocht de mediation door werkgeefster worden gebruikt om daarin alsnog het gelijk te behalen dat zij in de eerste ontbindingsprocedure juist niet heeft gekregen. Werkgeefster moest dan ook ophouden om steeds maar weer in verwijtende zin terug te komen op het incident en het gedrag van werknemer door hem daarbij voor te houden dat hij moet leren van fouten om herhaling in de toekomst te voorkomen. Door zich wel zo te gedragen en halsstarrig vast te houden aan het eigen gelijk, toont werkgeefster zich een slecht verliezer en komt zij de toezegging niet na werknemer ‘uiteraard’ in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten. Voldoende aannemelijk is geworden dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer enkel daardoor is blijven voortbestaan en intussen aanzienlijk is verergerd. Werknemer is psychisch ontredderd geraakt en hij is daarom nog niet heel lang geleden zes weken opgenomen geweest in een verslavingskliniek. Werkgeefster beroept zich in dat verband op predispositie, maar dat is volstrekt misplaatst. Juist omdat werkgeefster kennelijk wist van deze bijzondere kwetsbaarheid van werknemer had zij daarmee in haar beleid en opstelling rekening moeten houden. Een predispositie doorbreekt, anders dan waar het gaat om pre-existente klachten (die hier niet aan de orde zijn gelet op het ontbreken van een ziekteverzuimgeschiedenis), ook geenszins het juridisch causaal verband. Mede gelet op het repeterend en halsstarrig handelen van werkgeefster in strijd met haar verplichtingen als goed werkgeefster wordt een vergoeding toegekend met C=5 (€ 141.701,40 bruto).