Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 10 september 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:4438
werknemer/werkgeefster
Werknemer is in 1995 in dienst getreden van Autoschadehuis. Na het faillissement in 2005 is hij in dienst getreden van A. A heeft het onderdeel schadeherstel in oktober 2012 beëindigd. Werknemer is vervolgens op 1 november 2012 in de functie van autospuiter bij werkgeefster gestart. Op 6 juni 2013 is werknemer in verband met het overlijden van zijn echtgenote vanwege ernstige psychische klachten arbeidsongeschikt geraakt. De psychiater heeft onder meer het volgende verklaard: ‘In de maand augustus van 2013, was hij nog zodanig depressief dat er alleen sprake was van overleven. Een depressie maakt het namelijk moeilijk om van dingen te kunnen genieten. Het aangaan van een vakantie was dan ook uit den boze.’ Thans vordert werknemer te bepalen dat werkgeefster gehouden is de afgeschreven vakantiedagen in de periode van 5 augustus 2013 tot en met 22 augustus 2013 te corrigeren en weer bij te schrijven op zijn huidige tegoed, inzage in een gespreksverslag en inzage in overeenkomsten die mogelijk hebben geleid tot fusie tussen zijn voormalige en huidige werkgeefster.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op de voet van artikel 7:638 lid 8 BW gelden dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer tijdens een vastgestelde vakantie ziek is niet als vakantie, tenzij de werknemer in een voorkomend geval daarmee instemt. Van instemming door werknemer is geen sprake. Nu de juistheid van de verklaring van de psychiater niet ter discussie is gesteld, is voorshands voldoende aannemelijk dat werknemer in ieder geval in de periode van 5 augustus 2013 tot en met 22 augustus 2013 ziek was. Naar de kantonrechter begrijpt beroept werkgeefster zich er tevens op dat ook na het intreden van de arbeidsongeschiktheid reeds afgesproken vakantiedagen als opgenomen vakantiedagen dienen te worden aangemerkt, nu werknemer in die ‘vakantieperiode’ anders re-integratiewerkzaamheden zou hebben moeten verrichten. Nu de verklaring van de arboarts, waaruit volgt dat werknemer op geen enkele manier in staat was te starten met re-integratie, onvoldoende is weersproken is het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot toewijzing van dit onderdeel van de vordering zal overgaan, zodat de terugboeking van twaalf niet genoten vakantiedagen zal worden toegewezen.
Op de voet van artikel 843a Rv kan degene die daarbij een rechtmatig belang heeft van degene die deze bescheiden onder zich heeft (onder andere) inzage of afschrift vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. Werknemer vordert afgifte van een gespreksverslag dat door (een medewerker van) werkgeefster is opgesteld aan de hand van een gesprek over zijn functioneren, zodat aan dit vereiste is voldaan. Werknemer heeft ook een rechtmatig belang bij de gevorderde afgifte. Werknemer is van mening is dat het gesprek positiever is verlopen dan in de brief van 25 maart 2014 staat beschreven. Hoewel werkgeefster, zonder haar belang daarbij kenbaar te maken, afgifte van het gespreksverslag heeft geweigerd, heeft zij niet weersproken dat de inhoud van het gesprek verschilt van de inhoud van de brief van 25 maart 2014. Nu reeds is vastgesteld dat dergelijke arbeidsgerelateerde conflicten een voorspoedig herstel van werknemer in de weg staan, heeft werknemer zeker een rechtmatig belang bij de gevorderde afgifte. Recht op inzage (en dus ook recht op een kopie) heeft werknemer overigens als er geen verschil van mening zou zijn over het gesprek (art. 35 en 36 WBP in verband met art. 7:611 BW). De gevorderde inzage in de overeenkomsten met betrekking tot de fusie wordt afgewezen. Hoewel werknemer zich heeft beroepen op de website van werkgeefster, die volgens hem daadwerkelijk aanwijzingen bevat in het kader van overgang van onderneming, kan gelet op het uitdrukkelijke verweer van werkgeefster in dit kort geding niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat werkgeefster inderdaad over stukken als door werknemer gesteld beschikt. Hoewel het onder omstandigheden in beginsel niet ondenkbaar is dat in dit geval aan de vereisten van artikel 843a Rv voor afgifte dan wel inzage is voldaan, is voor verder feitenonderzoek in een kortgedingprocedure geen plaats.