Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 21 oktober 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:8068
Bouwonderneming X/zelfstandig betonstorter Y
X is een bouwonderneming die zich bezighoudt met de planning, coördinatie en uitvoering van en het toezicht op bouwprestaties. In opdracht van A voert X de bouwtechnische werkzaamheden van het betonwerk uit bij de bouw van een afvalverbrandingsinstallatie met energieopwekking bij Farmsum. Voor de uitvoering van het betonwerk heeft X onder meer aannemer B ingeschakeld. Zzp’er Y heeft voor B betonwerkzaamheden verricht. Op 3 februari 2009 is hem op de bouwplaats een ongeval overkomen (een zogenoemde betonkubel is omgevallen en op de voet van Y terechtgekomen) als gevolg waarvan een gedeelte van zijn linkervoet is geamputeerd. In deze procedure vordert Y schadevergoeding van X krachtens artikel 7:658 lid 4 BW. In een andere procedure is de aansprakelijkheid van B jegens Y reeds vastgesteld (naar het oordeel van het onderhavige hof staat dit niet aan de vordering van Y in de weg).
Het hof oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 7:658 lid 4 BW is hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, (mede) aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 23 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV0616) waarin de Hoge Raad op grond van een aantal passages uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 7:658 lid 4 BW oordeelt dat onder omstandigheden ook een zelfstandig ondernemer, zoals Y, een persoon in de zin van dit artikel kan zijn. Van belang is of Y voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van X. Hoewel uit een tussen X en B gesloten overeenkomst volgt dat B verantwoordelijk was voor de veiligheid en toezicht op de bouwplaats, oordeelt het hof dat de feitelijke uitvoering een andere was en dat ook medewerkers van X aanwijzingen verstrekten en toezicht uitoefenden. Het hof is op grond van de verschillende verklaringen van de door de inspecteur van de Arbeidsinspectie gehoorde personen van oordeel dat sprake was van een (feitelijke) situatie waarin het toezicht op de werkomstandigheden onder sturing en regie van X plaatsvond en dat het X was die toezag op de naleving van de veiligheidsvoorschriften op de bouwplaats. Bovendien blijkt eruit dat Y als bouwvakker feitelijk geen bijzondere positie innam maar een van de vele arbeidskrachten was die de bouwplaats bevolkten, terwijl bij de uitvoering van die werkzaamheden gebruik werd gemaakt van door X ter beschikking gesteld materiaal en materieel. Onder die omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof de conclusie gerechtvaardigd dat Y voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van X.
Het hof overweegt met betrekking tot de uitoefening in beroep of bedrijf, dat de omstandigheid dat X het storten van het beton in het onderhavige geval heeft uitbesteed aan een onderaannemer, niet maakt dat deze werkzaamheden geen onderdeel zouden kunnen uitmaken van de bedrijfsuitoefening van X. Gelet op de omstandigheid dat X zich volgens haar bedrijfsomschrijving in het uittreksel van het register van de Kamer van Koophandel (onder andere) bezighoudt met de uitvoering van bouwprestaties en het vaststaande feit dat de bij het ongeval betrokken betonkubel aan X in eigendom toebehoort terwijl ook het gebruikte materiaal – het beton – door X werd aangeleverd, acht het hof voorshands voldoende aannemelijk dat het storten van beton dient te worden aangemerkt als werk dat wordt verricht in de uitoefening van het bedrijf van X. Het staat X vrij hiervan tegenbewijs te leveren. Het hof zal X tot dit tegenbewijs toelaten.