Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 augustus 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:4869
werknemer/Fabrieksverkoop Veenendaal
Werknemer is in dienst van Fabrieksverkoop als chauffeur. Vanaf 18 juni 2012 is hij arbeidsongeschikt wegens nek- en schouderklachten. Het UWV heeft aan Fabrieksverkoop een loonsanctie opgelegd, omdat Fabrieksverkoop niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Fabrieksverkoop heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde loonsanctie. Werknemer vordert onder meer (tijdige) loondoorbetaling. Fabrieksverkoop stelt dat zij het loon van werknemer reeds gedurende 104 weken heeft doorbetaald. De door het UWV opgelegde loonsanctie van 52 weken maakt niet dat thans nog een loondoorbetalingsplicht bestaat, omdat het betreffende besluit van het UWV zal worden vernietigd.
De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de vordering van werknemer tot tijdige betaling van zijn loon dient te worden afgewezen. Hiertoe wordt overwogen dat de vraag of een administratieve dan wel een inhoudelijke loonsanctie door het UWV terecht is opgelegd en gehandhaafd ter beoordeling is van de bestuursrechter. Er is derhalve geen ruimte voor de civiele rechter om op de uitkomst van een bestuursrechtelijke bezwaar- en/of beroepsprocedure vooruit te lopen. Bij gerede twijfel over de juistheid van een opgelegde loonsanctie had het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter daarom eerder op de weg van Fabrieksverkoop gelegen een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter te vragen tot schorsing van de beslissing van het UWV, in plaats van de loonbetaling botweg te staken. Het voorgaande zou eventueel anders kunnen zijn indien het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een werknemer – in het geval er onduidelijkheid is over de juistheid van een beslissing van het UWV – zich tegenover zijn werkgever beroept op de bij die beslissing opgelegde loondoorbetalingsverplichting. Daarvoor is dan op zijn minst vereist dat de beslissing waarop die loondoorbetalingsverplichting berust evident op een misslag berust. Dat is hier niet het geval. De kantonrechter verwijst daartoe naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 12 mei 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM4397) en de uitspraak van de Rechtbank Roermond van 11 januari 2005 (USZ 2005, afl. 4). Voorts wordt in aanmerking genomen dat het vooruitlopen door de kantonrechter op de uitkomst van het door Fabrieksverkoop ingediende bezwaarschrift voor werknemer tot een onzekere inkomenssituatie zou kunnen leiden (geen loon en onduidelijkheid over de vraag of hij in aanmerking komt voor enige uitkering), waardoor een dergelijke beslissing ook daarom niet in de rede ligt. Het risico van een eventuele onduidelijkheid over de juistheid van een loonsanctiebesluit behoort niet bij de werknemer te liggen. De loonvordering wordt toegewezen.