Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 28 oktober 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:8276
FNV Bondgenoten/X
X drijft sinds 27 april 2006 een eenmanszaak te Y. Aanvankelijk was hij uitsluitend actief als zelfstandig chauffeur. Bij beschikking van 14 juli 2008 is X aangewezen als instelling, zoals bedoeld in artikel 26 onderdeel b van het destijds geldende Besluit goederenvervoer over de weg, waaraan de voorwaarde is verbonden dat hij ‘bij uitzending aan de tijdelijk uitgezonden chauffeur meegeeft een verklaring van tijdelijke terbeschikkingstelling’. Artikel 14 lid 1 van de hier bedoelde Wet goederenvervoer over de weg, zoals deze wet luidde tot 1 mei 2009, bepaalde: ‘Het is een vergunninghouder, verboden vervoer te verrichten met gebruikmaking van bestuurders van vrachtauto’s die niet bij hem in dienstbetrekking zijn.’ X stelt sinds medio juli 2008 chauffeurs, die niet bij hem in loondienst zijn en als zzp’er werken, in staat om tegen vergoeding van € 1 per uur gebruik te maken van de Verklaring van Terbeschikkingstelling waarover hij als aangewezen instelling beschikt. Deze chauffeurs brengen hun werkzaamheden zelf in rekening bij hun opdrachtgevers. De Inspectie leefomgeving en Transport (hierna: ILT) heeft in oktober 2013 onderzoek gedaan naar het handelen van X. Het gevolg is dat de Inspecteur ILT namens de minister heeft besloten dat de aanwijzing van 14 juli 2008 per 1 december 2014 wordt ingetrokken. FNV heeft in kort geding onmiddellijke staking van de bedrijfsactiviteiten van X gevorderd.
Het hof oordeelt als volgt. De aanwijzing is inmiddels per 1 december 2014 ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat X zijn onderneming vanaf die datum niet meer kan voeren op de door FNV aan de kaak gestelde wijze. Dat betekent dat X ten tijde van het wijzen van dit arrest zijn onderneming nog slechts gedurende hooguit vijf weken op die wijze zou kunnen voortzetten. Naar het oordeel van het hof heeft FNV geen feiten of omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat van haar niet gevergd kan worden dat zij deze betrekkelijk korte periode niet zou kunnen afwachten, zeker in relatie tot de sinds medio 2008 reeds verstreken periode van ruim zes jaar waarin de thans gewraakte handelingen hebben plaatsgevonden. Het enkele feit dat X inmiddels een bezwaarschrift heeft ingediend maakt de situatie niet anders, nu is gesteld noch gebleken dat daarmee het intrekkingsbesluit is geschorst. Het hof ziet geen aanleiding om in dit spoedappel vooruit te lopen op de hypothetische situatie dat het bezwaarschrift gegrond verklaard zou kunnen worden, of dat de bestuursrechter een voorlopige voorziening zou treffen.