Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/A c.s.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 1 oktober 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:5371

werknemer/A c.s.

Werknemer onderbouwt onvoldoende concreet waarom bestuurders van inmiddels failliete onderneming jegens hem aansprakelijk zouden zijn. Niet komen vast te staan dat er bij aanvang arbeidsovereenkomst onvoldoende liquide middelen zouden zijn om aan verplichtingen jegens werknemer te voldoen.

Werknemer is met ingang van 1 april 2013 in dienst getreden van Global Security Education B.V. (hierna: GSE) in de functie van opleider/trainer. A en B zijn de statutair bestuurders van GSE. Vanaf 22 april 2014 is geen loon meer betaald. In kort geding is de loonvordering van werknemer toegewezen. Op 5 november 2013 is GSE failliet verklaard, waarna de arbeidsovereenkomst van werknemer door de curator is opgezegd. Werknemer vordert voor recht te verklaren dat A en B onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Zij hebben een arbeidsovereenkomst met werknemer gesloten terwijl zij wisten, althans redelijkerwijs behoorden te begrijpen, dat GSE niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en ook geen verhaal zou bieden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. A en B hebben de stelling van werknemer dat hun onderneming over onvoldoende liquide middelen zou beschikken om aan hun verplichtingen jegens werknemer te kunnen voldoen gemotiveerd weersproken. Zij hebben aangevoerd dat zij bij aanvang van de arbeidsovereenkomst over een startkapitaal van € 300.000 beschikten en over diverse toezeggingen met betrekking tot opdrachten, op grond waarvan zij erop mochten vertrouwen dat GSE haar verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst jegens werknemer kon nakomen. Gelet op het gevoerde verweer had het op de weg van werknemer gelegen om nader te concretiseren op grond waarvan A en B als bestuurders aansprakelijk zijn. Dit heeft hij echter nagelaten. De enkele verwijzing naar de passage in het kortgedingvonnis is daartoe onvoldoende. Het oordeel in kort geding heeft immers betrekking op het handelen van GSE als vennootschap waarvoor een ander criterium geldt dan ten aanzien van het handelen van A en B  als bestuurders van de vennootschap. Volgt afwijzing van de vordering.