Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 5 november 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:13593
werknemer/De Staat der Nederlanden
Werknemer is van 1977 tot 14 december 2011 in loondienst werkzaam geweest bij Zalco. In 2009 is de diagnose maligne mesothelioom epitheliaal type (longvlieskanker) vastgesteld. Zalco heeft uiteindelijk aansprakelijkheid erkend en een vergoeding voor immateriële schade van € 51.395 en een voorschot op de materiële schade van twee maal een bedrag van € 2.858 betaald. Na het faillissement van Zalco is werknemer op 14 december 2011 ontslagen. In de onderhavige procedure stelt werknemer de Staat aansprakelijk voor de schade die hij ten gevolge van de asbestziekte lijdt en heeft geleden. Werknemer legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat in de periode van 1977 tot begin jaren negentig onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, omdat de Staat zijn verplichtingen, gericht op het beschermen van de gezondheid van werknemer in zijn arbeidssituatie onvoldoende is nagekomen, waardoor hij aan asbest is blootgesteld en schade heeft geleden. Hij verwijt de Staat schending van de observatieplicht, schending van de waarschuwingsplicht, regelgevingsfalen, algemeen toezichtsfalen en concreet toezichtsfalen.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het meest verstrekkende verweer van de Staat is dat de vordering van werknemer grotendeels is verjaard. De rechtbank is, anders dan werknemer, van oordeel dat de overheid niet gelijk kan worden gesteld met een asbestproducent. De Staat heeft de asbest, waaraan werknemer volgens zijn zeggen bij Zalco is blootgesteld, immers niet in het verkeer gebracht. De Staat kan evenmin worden verweten dat hij onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:175 BW nu hij de gevaarlijke stof asbest waaraan werknemer beweerdelijk is blootgesteld niet beroepsmatig heeft gebruikt of onder zich heeft gehad. Dit brengt mee dat op de onderhavige vordering in beginsel de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW van toepassing is. Het beroep van werknemer op artikel 6 EVRM en het ‘De Moor-arrest’ (EHRM 11 maart 2014, RAV 2014/48 (De Moor/Zwitserland)) faalt. In deze uitspraak oordeelde het EHRM dat de door Zwitserland gehanteerde verjaringstermijn van tien jaar niet proportioneel was, omdat vanwege de incubatietijd van mesothelioom die verjaringstermijn steeds zal zijn verstreken op het moment dat de ziekte zich openbaart. In het onderhavige geval is werknemer echter niet beperkt in de vrije toegang tot de rechter in verband met zijn asbestvordering. Krachtens de Nederlandse verjaringsregels geldt in de verhouding tot de voormalige werkgever van werknemer zelfs een dertigjarige verjaringstermijn, welke niet was verjaard op het moment dat hij met de ziekte mesothelioom bekend werd. Werknemer is ook in staat geweest om Zalco tijdig aansprakelijk te stellen en – indien nodig – in rechte te betrekken. De omstandigheid dat Zalco vanwege een faillissement geen verhaal (meer) biedt, maakt dit niet anders. In dit verband is nog van belang dat onder omstandigheden een doorbreking van de dertigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW mogelijk is (zie HR van 28 april 2010, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 (Van Hese/De Schelde)). Dat de vrije toegang tot de rechter voor werknemer ten aanzien van zijn vordering jegens de Staat op grond van artikel 3:310 lid 1 BW beperkt is tot twintig jaar, een termijn die overigens twee maal zo lang is als de in het arrest aan de orde zijnde termijn van tien jaar, vindt derhalve zijn rechtvaardiging in de omstandigheden dat de vordering jegens de direct aansprakelijke partij niet is verjaard, terwijl de Staat in zijn hoedanigheid van indirect aansprakelijke partij, te weten in zijn hoedanigheid van wetgever en toezichthouder, wordt aangesproken.
De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of de door werknemer gestelde blootstelling gedurende de periode van 20 februari 1993 tot en met 31 december 1993 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, nu – ook wanneer de rechtbank daar veronderstellenderwijs vanuit zou gaan – de Staat jegens werknemer gedurende die periode niet onrechtmatig heeft gehandeld en derhalve niet aansprakelijk is. Van de door werknemer gestelde schending van de observatieplicht, schending van de waarschuwingsplicht, regelgevingsfalen, algemeen toezichtsfalen en concreet toezichtsfalen is geen sprake.