Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 30 september 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:12008
NV Haagse Milieuservices/werknemer
Werknemer is in 1991 in dienst getreden van HMS als chauffeur/belader. Samen met een aantal collega’s is hij op 14 februari 2014 op staande voet ontslagen door HMS – kort gezegd – omdat hij betrokken zou zijn bij een ‘illegale afvalroute’; werknemer en de eveneens ontslagen collega’s zouden buiten HMS om afval hebben opgehaald, waarvoor zij zich hebben laten betalen. Op 4 juni 2014 is de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden. In de onderhavige procedure is in geschil of werknemer op dit moment mag overgaan tot executie van de beschikking van de kantonrechter van 4 juni 2014 voor wat betreft de daarin aan hem toegekende ontslagvergoeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de beschikking van 4 juni 2014 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk ontbonden per 19 juni 2014, namelijk voor zover deze op het moment van het uitspreken van de beschikking nog bestaat. Gelet op het onlosmakelijke verband tussen enerzijds de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en anderzijds de aan werknemer toegekende vergoeding, brengt een redelijke uitleg van de beschikking mee dat aan de vergoeding dezelfde voorwaarde is verbonden, ook al vermeldt het dictum van de beschikking dat niet uitdrukkelijk. HMS is de vergoeding dus enkel verschuldigd voor zover de arbeidsovereenkomst op 4 juni 2014 nog bestond. Op dit moment staat echter nog niet vast dat de vergoeding (thans reeds) opeisbaar is. Dat is pas het geval nadat in een – voor tenuitvoerlegging vatbare – uitspraak in een bodemprocedure is beslist dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, dan wel HMS de nietigheid van het ontslag heeft erkend. Anders dan werknemer stelt volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 september 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2417) niet dat een voorwaardelijk toegekende ontbindingsvergoeding, zoals hier aan de orde, ook onmiddellijk opeisbaar is indien een beroep is gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet. In de casus die heeft geleid tot dat arrest speelde slechts de vraag vanaf welk moment de wettelijke rente over een voorwaardelijk toegekende vergoeding verschuldigd is (zie ook Hof Leeuwarden d.d. 23 juli 2003; JAR 2003/211). De Hoge Raad heeft enkel beslist dat een beschikking waarbij de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk is ontbonden en een (voorwaardelijke) ontbindingsvergoeding is toegekend geacht moet worden onmiddellijke werking te hebben gehad indien nadien door de rechter wordt geconstateerd dat het op staande voet gegeven ontslag nietig is, zodat in een dergelijke situatie – met het oog op de berekening van de wettelijke rente – ervan moet worden uitgegaan dat de vergoeding onmiddellijk na het uitspreken van de beschikking verschuldigd is door de werkgever. Dat betekent echter niet dat de toegekende vergoeding ook al kan worden geëxecuteerd voordat de nietigheid van het ontslag onherroepelijk vaststaat.