Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 8 april 2014
ECLI:NL:RBNHO:2014:10528
Havik Auto B.V./werknemer
Werknemer is sinds 1996 in dienst van (een rechtsvoorganger van) Havik. Havik handelt, verhuurt en repareert auto’s van de merken Opel en Chevrolet. Werknemer werkte voor het laatst in de functie Partsmanager/Chef Magazijn. Hij is op 14 januari 2014 op staande voet ontslagen. Aan werknemer is meegedeeld dat de dringende reden voor het ontslag op staande voet was gelegen in het feit dat werknemer zonder toestemming aan Havik toebehorende goederen mee naar huis had genomen, te weten een gasfles, ruitenwisserbladen, ruitenwisservloeistof en een accu. Daarbij is door Havik mede als dringende reden genoemd dat werknemer, daarnaar gevraagd, niet direct de waarheid heeft verteld, dat de handelingen structureel van aard zijn en dat het vertrouwen in werknemer ernstig en onherstelbaar is verstoord. In de onderhavige procedure verzoekt Havik voorwaardelijke ontbinding, primair wegens een dringende reden. Werknemer heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu in kort geding is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven (zie AR 2014-0957), wordt het voorwaardelijk ontbindingsverzoek wegens een dringende reden toegewezen. Het verzoek van werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een gewichtige reden, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden, met toekenning van een vergoeding, kan niet worden toegewezen. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat werknemer zijn verzoek onvoorwaardelijk heeft gedaan, terwijl sprake is van een ontslag op staande voet op 14 januari 2014. De kantonrechter acht het niet uitgesloten dat ondanks dit ontslag op staande voet niettemin een onvoorwaardelijke ontbinding zou kunnen volgen, maar daarvoor is in ieder geval vereist dat evident is dat het ontslag op staande voet geen stand zal houden. Daarvan is geen sprake, omdat in eerdergenoemd vonnis in kort geding tussen partijen is geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Er is daarom geen plaats voor onvoorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Verder heeft werknemer ook geen belang bij toewijzing van zijn verzoek. Nu het verzoek om ontbinding van Havik al is toegewezen wegens een dringende reden en zonder toekenning van een vergoeding aan werknemer, en dit verzoek niet meer kan worden ingetrokken, valt niet in te zien welke zin het nog heeft om het tegenverzoek van werknemer toe te wijzen. Dat is temeer het geval nu uit hetgeen is overwogen over het verzoek van Havik al volgt dat ook in geval van toewijzing van het tegenverzoek van werknemer geen aanleiding bestaat voor toekenning van een vergoeding.