Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 11 november 2014
ECLI:EU:C:2014:2359
Schmitzer/Bundesministerin für Inneres
Schmitzer is ambtenaar van het Bundesministerium für Inneres. Op 22 januari 2013 heeft hij verzocht om herziening van de peildatum voor zijn salarisverhoging zodat rekening zou worden gehouden met de door hem vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar vervulde dienst- en opleidingstijdvakken in de zin van de toepasselijke nationale wetgeving. Op grond van het bij zijn aanwerving geldende recht kon met die tijdvakken geen rekening worden gehouden, maar op grond van § 113 GehG, zoals gewijzigd bij de hervormingswet, kan dit thans wel. Met de hervormingswet dienen de nationale wettelijke bepalingen inzake de inaanmerkingneming van tijdvakken van voor de indiensttreding in overeenstemming te worden gebracht met Richtlijn 2000/78, zoals door het Hof uitgelegd in het arrest Hütter (C-88/08, ECLI:EU:C:2009:381), waarin het Hof heeft vastgesteld dat de artikelen 1, 2 en 6 van Richtlijn 2000/78 zich verzetten tegen een nationale regeling die, teneinde het algemene onderwijs niet te benadelen ten opzichte van het beroepsonderwijs en de integratie van jonge leerlingen uit het leerlingenstelsel in de arbeidsmarkt te bevorderen, uitsluit dat met vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar vervulde tijdvakken van arbeid rekening wordt gehouden voor de vaststelling van de salaristrap waarin arbeidscontractanten in overheidsdienst van een lidstaat worden geplaatst. Deze hervormingswet – die dus bedoeld is om de eerdere discriminatie weg te nemen – hanteert een andere bezoldigingssystematiek dan het oude recht (pas na vijf in plaats van twee komt men in een hogere bezoldigingsschaal). Volgens Schmitzer is deze regeling onjuist. De verwijzingsrecht stelt (onder meer) de volgende vraag: Is er – vooralsnog onverminderd artikel 52 lid 1 van het Handvest en artikel 6 van Richtlijn 2000/78 – sprake van (directe) discriminatie op grond van leeftijd in de zin van artikel 21 van het Handvest en artikel 2 lid 1 en 2 onder a van de richtlijn, wanneer naar aanleiding van de invoering van een niet-discriminerend stelsel van salarisverhoging voor nieuwe ambtenaren een in de oude rechtssituatie (door niet-inaanmerkingneming van vóór de leeftijd van 18 jaar gelegen tijdvakken voor salarisverhoging) gediscrimineerde oude ambtenaar weliswaar op verzoek kan opteren voor het nieuwe stelsel en zo een op niet-discriminerende basis berekende peildatum voor salarisverhoging kan verkrijgen, maar de instemming met een dergelijk verzoek in het interne recht impliceert dat zijn bezoldigingsrechtelijke positie (en dus het hem verschuldigde salaris), gelet op de in het nieuwe stelsel voorziene langzamere verhoging, ondanks een betere peildatum voor salarisverhoging niet op zodanige wijze verbetert dat hij dezelfde bezoldigingsrechtelijke positie verwerft als een in de oude rechtssituatie op discriminerende wijze begunstigde oude ambtenaar (die vergelijkbare tijdvakken niet vóór, maar na de leeftijd van 18 jaar dient aan te tonen, welke reeds in aanmerking werden genomen in de oude rechtssituatie), die zich niet genoopt ziet om voor het nieuwe stelsel te opteren?
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. De Oostenrijkse wetgever heeft door de vaststelling van § 8 lid 1 GehG, zoals gewijzigd bij de hervormingswet, een bepaling ingevoerd waardoor voor onder de vroegere regeling benadeelde ambtenaren en ambtenaren die onder die regeling bevoordeeld waren een verschil in behandeling blijft bestaan voor hun bezoldigingspositie en het bijbehorende salaris. Daardoor heft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet alleen het voordeel op dat voortvloeit uit de inaanmerkingneming van vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde opleidings‑ en diensttijdvakken, maar benadeelt zij bovendien enkel de onder de vroegere regeling benadeelde ambtenaren omdat de verlenging van de wachttijd alleen voor hen kan gelden. Voor deze ambtenaren zijn de nadelige gevolgen van de regeling van vóór de hervormingswet bijgevolg niet volledig opgeheven. Voor zover de verlenging met drie jaar van de wachttijd voor overgang van de eerste naar de tweede salaristrap alleen geldt voor ambtenaren die tijdvakken hebben vervuld vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling een rechtstreeks op leeftijd gebaseerd verschil in behandeling in de zin van artikel 2 lid 2 onder a van Richtlijn 2000/78 bevat. Voor zover aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling het doel verbonden is de begroting in evenwicht te houden, zij in herinnering gebracht dat het Unierecht de lidstaten niet belet, behalve met politieke, sociale of demografische overwegingen ook rekening te houden met begrotingsoverwegingen, voor zover zij daarmee inzonderheid het algemene verbod van discriminatie op grond van leeftijd eerbiedigen. In zoverre kunnen begrotingsoverwegingen weliswaar ten grondslag liggen aan de keuzes van sociaal beleid van een lidstaat en de aard of de omvang van de maatregelen die deze wenst vast te stellen beïnvloeden, maar dergelijke overwegingen kunnen op zich geen legitiem doel in de zin van artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 vormen (arrest Fuchs en Köhler, C-159/10 en C-160/10, ECLI:EU:C:2011:508, punten 73 en 74). Hetzelfde geldt voor de door het verwijzende gerecht genoemde overwegingen van administratieve aard.
Met zijn tweede vraag wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of een ambtenaar die door de wijze van vaststelling van de peildatum voor de berekening van zijn salarisverhoging is gediscrimineerd op grond van zijn leeftijd, zich op artikel 2 van Richtlijn 2000/78 moet kunnen beroepen ter betwisting van de discriminerende gevolgen van de verlenging van de wachttijden, ook al heeft hij, op zijn verzoek, herziening van die datum gekregen. Indien een onder de vroegere regeling benadeelde ambtenaar de discriminerende gevolgen van verlenging van de wachttijden niet kon betwisten op grond dat hij herziening van de peildatum voor zijn salarisverhoging heeft gevraagd en heeft gekregen, terwijl onder de vroegere regeling bevoordeelde ambtenaren een dergelijk verzoek niet hebben ingediend, zou hij niet alle rechten die hij aan het door Richtlijn 2000/78 gewaarborgde beginsel van gelijke behandeling ontleent kunnen laten gelden, zulks in strijd met de artikelen 9 en 16 van die richtlijn.