Rechtspraak
werkers/SNS Reaal
In augustus 2010 heeft Q werker 1 en werker 2 benaderd met de vraag of zij interesse hadden om herstructureringswerkzaamheden te verrichten bij een financiële dienstverlener, te weten SNS. Werkers 1 en 2 hebben vervolgens een overeenkomst van opdracht met SNS gesloten om voor SNS op declaratiebasis werkzaamheden te verrichten. Vervolgens werd in een losse aparte afspraak een fee bedongen tussen werkers 1 en 2 en Q, welke fee via een bepaalde BV-constructie werd doorberekend. SNS Reaal heeft op 28 februari 2013 bij de FIOD aangifte tegen S en R gedaan wegens het plegen van niet-ambtelijke omkoping (art. 328ter Sr), valsheid in geschrifte (art. 225 Sr) en oplichting (art. 326 Sr). Op basis van die aangifte is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek onder de noemer ‘Mount Nepal’ gestart tegen R, S en zeven bij SNS PF aangenomen externen, waaronder werkers 1 en 2. Zij zijn daarbij als verdachten aangemerkt. Het is nog niet duidelijk of zij strafrechtelijk zullen worden vervolgd. In maart 2013 heeft SNS de werkzaamheden per direct opgeschort. De FIOD heeft vervolgens werkers 1 en 2 ondervraagd over de wijze van facturering en de rol van Q hierin. SNS Reaal is aangesloten bij het Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Zij heeft bij brief van 2 april 2013 aan werkers 1 en 2 meegedeeld dat zij staan geregistreerd in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister (hierna: het EVR) van SNS Reaal. In de brief staat geschreven, na een algemene uitleg van voornoemde registers en het doen ervan: ‘U bent geregistreerd omdat voldoende aannemelijk is geworden dat u bij een incident betrokken bent of bent geweest. Tevens hebben wij vastgesteld dat is voldaan aan de opnamecriteria voor registratie in het Extern Verwijzingsregister.’ Voor de registratie geldt (indien geen sprake is van nieuwe incidenten) een maximumtermijn van acht jaar. Werkers 1 en 2 verzoeken op grond van de Wet bescherming persoonsgevens opheffing van deze registratie. De rechtbank heeft het verzoek van werkers geweigerd.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat voor verwerking van persoonsgegevens in het EVR en het Incidentenregister geen strafrechtelijke veroordeling is vereist. Anderzijds is de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit daartoe niet voldoende. Er dient sprake te zijn van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen. Als maatstaf geldt daarvoor dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (ECLI:NL:HR:2009:BH4720). SNS Reaal heeft gesteld dat werkers 1 en 2 zich schuldig hebben gemaakt aan het opmaken en voorhanden hebben van valse facturen (art. 225 lid 1 en 2 Sr). Aangezien die facturen ertoe dienden de ware aard van de geldstromen tussen werkers 1 en 2 enerzijds en andere opdrachtnemers van SNS PF anderzijds te verhullen, de geldstromen via diverse bankrekeningen tussen opdrachtnemers van SNS PF plaatsvonden en SNS PF daarover niet was geïnformeerd is er ook sprake van betrokkenheid bij witwassen (art. 420bis en/of 420ter Sr), niet-ambtelijke omkoping (art. 328ter lid 1 Sr) en oplichting (art. 326 Sr), aldus SNS. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat er een hoge mate van verdenking is ten aanzien van verschillende hierboven genoemde strafbare feiten. Het feit dat het werkers vrij staat om hun inkomsten naar eigen inzicht te besteden, betekent uiteraard niet dat het hun ook is toegestaan om zich daarbij van onwaarheden te bedienen. Dat het aanzien en de integriteit van een bank en in potentie zelfs van het bankwezen als geheel in gevaar komt zodra voor de bank werkzame personen zich met valsheid in geschrifte inlaten, staat naar het oordeel van het hof buiten kijf. Waar het in omloop brengen en houden van valse facturen op zichzelf al een bedreiging voor het handelsverkeer in het algemeen oplevert, klemt dit in de financiële sector eens te meer, aangezien veiligheid en integriteit daarin een belangrijke factor in de bedrijfsvoering vormen. Het hof stelt vast dat opname in het Incidentenregister, en met name in het daaraan gekoppelde EVR, verstrekkende consequenties kan hebben. Alle deelnemende banken en financiële instellingen kunnen immers door toetsing aan het EVR vaststellen dat er sprake is van opname in het incidentenregister van (een) andere deelnemer(s). Vervolgens kunnen zij nadere informatie omtrent de reden van opname opvragen. Dit kan ertoe leiden dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. SNS Reaal heeft aangevoerd dat van een volledige blokkade op de arbeidsmarkt geen sprake is omdat alleen de banken toegang hebben tot de registratie, zodat een dienstverband buiten de financiële sector of bij justitie of de Belastingdienst gewoon tot de mogelijkheden behoort. SNS Reaal miskent daarbij echter dat de professie van werkers 1 en 2, die respectievelijk fiscaal jurist en registeraccountant zijn, meebrengt dat zij een EVR-registratie aan een eventuele toekomstige werk- of opdrachtgever hebben te melden en dat deze vervolgens minder genegen zal zijn om met hen in zee te gaan. Het is naar het oordeel van het hof dan ook voldoende aannemelijk dat de maatregel in hun geval, gelet op hun werkervaring tot nu toe, de facto op een vrijwel volledige uitsluiting om hun beroep uit te oefenen neerkomt. Die zware repercussie wordt voor een belangrijk deel gerechtvaardigd door het gegeven dat financiële integriteit in het beroep dat zij bekleden hoog in het vaandel staat en dat van hen, meer nog dan van ieder ander, op dat punt betrouwbaarheid en onkreukbaarheid mag worden verwacht. Het hof is evenwel van oordeel dat een registratietermijn van acht jaren in dit geval de grenzen van proportionaliteit overschrijdt. Het hof acht hier, alles afwegend, een termijn van drie jaren op zijn plaats.