Rechtspraak
X c.s./Y
Op 13 november 2013 hebben Y (als opdrachtgever), en X BV (als opdrachtnemer), daarbij vertegenwoordigd door X, een overeenkomst van opdracht met elkaar gesloten. X BV heeft maandelijks facturen bij Y in rekening gebracht ter zake van de door X verrichte werkzaamheden, alsmede de vaste onkostenvergoeding. Y heeft deze facturen tot en met augustus 2014 aan X BV betaald. Y heeft de overeenkomst per 1 november 2014 beëindigd. Tussen partijen is in geschil of de overeenkomst van opdracht op grond waarvan X werkzaamheden heeft verricht tevens als arbeidsverhouding in de zin van het BBA kwalificeerde, zodat indien dat het geval is, voor de opzegging daarvan de toestemming nodig was van het UWV.
De kantonrechter oordeelt als volgt. X en X BV hebben aangevoerd dat het de bedoeling van partijen was, dat X van meet af aan in dienst van Y zou treden. Zij verwijzen naar een e-mail waarin onder meer staat: ‘(…) Aansluitend op onze 2 besprekingen wil ik je graag bevestigen hoe fijn ik het zou vinden als je bij ons in dienst wilt treden als algemeen directeur (…) In de loop van 2014 kijken we naar de formele arbeidsrelatie om deze wellicht voor de toekomst aan te passen.’ Hieruit volgt echter niet noodzakelijkerwijs dat Y van meet af aan het sluiten van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor ogen stond. In voormelde e-mail staat tevens: ‘Met B zullen we samen een managementcontract opstellen waarin voldoende wederzijdse zekerheden worden ingebouwd.’ Uit de inhoud van de overeenkomst van opdracht (met name art. 3, 4 en 5) kan worden afgeleid dat – gelijk Y heeft betoogd – partijen in het kader van deze overeenkomst juist niet een arbeidsovereenkomst of een daarmee gelijk te stellen overeenkomst in het leven hebben willen roepen. Vastgelegd is immers dat van ondergeschiktheid en de verplichting om de overeengekomen werkzaamheden persoonlijk te (laten) verrichten geen sprake is, alsmede dat de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht worden verricht en zonder toezicht of leiding door Y. Het enkele feit dat bij de uitvoering van de overeenkomst van opdracht alleen X werkzaamheden heeft verricht voor Y en dat dit ook de bedoeling van Y en X BV was, maakt niet dat de feitelijke uitvoering van de overeenkomst tevens kan worden gekwalificeerd als een arbeidsverhouding in de zin van artikel 1 BBA met als gevolg dat voor opzegging van de rechtsverhouding toestemming van het UWV is vereist. Er is immers een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen tussen de twee rechtspersonen Y en X BV. Daaraan is ook feitelijke uitvoering gegeven doordat X BV X aan Y ter beschikking heeft gesteld om de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren. Bij dit alles komt dat een rechtspersoon geen werknemer in de zin van het BBA kan zijn. X en X BV hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een contractuele rechtsbetrekking bestond tussen Y en X, laat staan een rechtsbetrekking die X verplichtte om persoonlijke arbeid in de zin van artikel 1 onder b sub 2 BBA voor Y te verrichten. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de opzegging door Y vernietigbaar is wegens strijd met het BBA. Y heeft de met X BV gesloten overeenkomst van opdracht met recht op 24 september 2014 met onmiddellijke ingang (derhalve zonder inachtneming van een opzegtermijn) beëindigd. Volgt afwijzing van de vorderingen.