Rechtspraak
Hoge Raad, 28 november 2014
ECLI:NL:HR:2014:3458
Tido Vesta Nederland/Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten
De Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (hierna: SNCU) vordert onder meer forfaitaire schadevergoeding van Tido Vesta wegens het niet tijdig verstrekken van documentatie. Daarnaast vordert SNCU correcte naleving van de cao. Tido Vesta is geen partij bij de cao noch lid van een werkgeversvereniging die partij is bij de cao. Als gevolg van de algemeenverbindendverklaring bij het avv-besluit was Tido Vesta niettemin in de periode van 20 september 2005 tot en met 1 april 2007 gebonden aan de verbindend verklaarde bepalingen van de cao en van de daarbij behorende, eveneens verbindend verklaarde statuten en reglementen van SNCU. Op 11 december 2006 heeft het externe onderzoeksbureau VRO bij Tido Vesta een onderzoek uitgevoerd in het kader van een controle naar de naleving van de CAO voor Uitzendkrachten in de periode week 38 2006 tot en met week 44 2006. Door VRO werden de overtredingen geschat op een schadebedrag van € 624.476. SNCU heeft aan Tido Vesta een forfaitaire schadevergoeding aangezegd van € 51.751. Tido Vesta heeft geweigerd dit bedrag te betalen en betwist in de onderhavige procedure de bevoegdheid van SNCU. De kantonrechter en het hof hebben de vordering(en) van SNCU toegewezen. In cassatie staat onder meer de vraag centraal of SNCU in de periode na afloop van de algemeenverbindendverklaring nog bevoegdheid is tot handhaving over te gaan als deze bevoegdheid haar oorsproning vindt in de cao (art. 45 en 46). Voorts staat de vraag centraal of SNCU überhaupt bevoegd is tot controle over te gaan in het licht van artikel 10 Wet AVV.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Artikel 10 Wet AVV houdt in dat indien één of meer verenigingen van werkgevers of van werknemers op wier verzoek een verbindendverklaring is uitgesproken, het vermoeden gegrond achten dat in een onderneming één of meer verbindend verklaarde bepalingen van de cao niet worden nageleefd, zij met het oog op het instellen van een rechtsvordering als bedoeld in artikel 3 Wet AVV de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen verzoeken een onderzoek daarnaar te doen instellen. Anders dan door Tido Vesta wordt bepleit, brengt de mogelijkheid om op de voet van artikel 10 Wet AVV een zodanig verzoek te doen, niet mee dat toezicht en onderzoek door een privaatrechtelijke rechtspersoon als SNCU is uitgesloten. Zoals blijkt uit de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.6 en 2.8 weergegeven parlementaire stukken, staat de wetgever terughoudendheid voor bij het inzetten van publiekrechtelijke middelen in het kader van handhaving van uit algemeen verbindendverklaring van een cao voortvloeiende verplichtingen. Noch de totstandkomingsgeschiedenis noch het systeem van de Wet AVV biedt een aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van Tido Vesta. Het oordeel van het hof is dus juist. Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld.
Met betrekking tot de vraag of na afloop van de looptijd van de algemeen verbindendverklaring SNCU nog bevoegd is over te gaan tot controle van de correcte naleving ervan, oordeelt de Hoge Raad als volgt. Tido Vesta was gedurende de periode waarvoor de algemeen verbindendverklaring gold, gebonden aan de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen en bijbehorende statuten en reglementen. Die gebondenheid eindigde met het verstrijken van de in het avv-besluit vastgestelde periode. De artikelen 45 en 46 van de CAO en artikel 6 van reglement II brengen evenwel mee dat SNCU ook na afloop van bedoelde periode bevoegd was te onderzoeken of Tido Vesta gedurende de periode van verbindendverklaring de cao had nageleefd. Een andere opvatting zou ernstig afbreuk doen aan de handhaafbaarheid van de cao. Controle en handhaving kunnen immers deels slechts achteraf plaatsvinden, omdat – onder meer – de loonadministratie over de periode waarin de algemeen verbindendverklaring gold, pas achteraf, na het verstrijken van die periode, beschikbaar komt. Het oordeel van het hof is dan ook juist.
De klacht met betrekking tot de hoogte van de forfaitaire boetes is afgedaan op grond van artikel 81 Wet RO. De A-G concludeerde dat het hof genoegzaam had gemotiveerd waarom matiging van deze ‘contractuele boete’ niet aan de orde was.