Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 25 november 2014
ECLI:NL:RBOBR:2014:7351
DPA Beheer B.V./werknemer
Werknemer was van 1 december 1997 tot 2000 in dienst bij en statutair directeur van Ingenieursbureau Technipower BV (hierna: Technipower). In 2000 heeft hij via vennootschap A de aandelen van Technipower gekocht. Vanaf 1 januari 2001 had werknemer een arbeidsovereenkomst met vennootschap A en niet langer met Technipower. Bij overeenkomst van 3 oktober 2013 heeft Technipower haar activa verkocht aan DPA Group N.V. Op 16 oktober 2013 is werknemer in dienst getreden van DPA Beheer (hierna: DPA) als directeur van DPA Technipower. DPA verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er is sprake van een daling van het aantal inzetbare professionals en van het gemiddeld uurtarief en is er geen verbetering opgetreden in de complexe administratie van belonings- en factureringsafspraken en de daaruit voortkomende problemen. Dat leidt tot de conclusie dat DPA Beheer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat DPA Technipower onder leiding van werknemer niet goed presteerde. De slechte prestaties van DPA Technipower zijn echter niet in die mate aan het functioneren van werknemer te wijten dat gesproken kan worden van disfunctioneren. Naast hetgeen dat door werknemer naar voren is gebracht, speelt mee dat ten tijde van de overname sprake was van een acute noodsituatie bij Technipower, waardoor een overname van de activa noodzakelijk was om een faillissement te voorkomen. DPA Beheer kon in die omstandigheden niet verwachten dat werknemer op eigen kracht de prestaties van DPA Technipower zou kunnen verbeteren. Nu sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. Bij de beoordeling of werknemer bescherming toekomt op grond van artikel 7:663 BW staat voorop dat werknemer geen arbeidsovereenkomst had met Technipower. Dan dient beoordeeld te worden of werknemer nagenoeg exclusief werkzaam was voor Technipower en de werkzaamheden die hij verrichtte voor de andere onderdelen van de Astrea-groep van ‘rechtens verwaarloosbare omvang’ waren (Botzen-arrest). Dit is door werknemer niet aannemelijk gemaakt. Of werknemer bescherming op grond van artikel 7:663 BW toekomt, kan in deze procedure niet worden vastgesteld. In de bijzondere omstandigheden van deze zaak moet in redelijkheid rekening worden gehouden met een langere arbeidsduur, namelijk 3 dienstjaren, wat resulteert in 5,5 gewogen dienstjaren. Daarbij is van belang dat de koopovereenkomst onder grote druk en in zeer korte tijd is gesloten, dat over de inhoud van de arbeidsovereenkomst toen nog niets was overeengekomen en dat daardoor werknemer geen enkele onderhandelingsruimte meer had. Ter zitting is erkend dat het afzien van anciënniteit door werknemer geen punt van onderhandeling is geweest en dat het ten aanzien van de hoogte van het salaris ‘slikken of stikken’ was. Daarnaast is er sprake van verwijtbaarheid aan de zijde van DPA Beheer, wat leidt tot toepassing van een C-factor van 1,5. Dat alles leidt ertoe dat aan werknemer een vergoeding wordt toegekend van € 100.000. Voor het geval en onder de voorwaarde dat in een bodemprocedure wordt vastgesteld dat werknemer ten opzichte van DPA Beheer wel bescherming op grond van artikel 7:663 BW toekomt, wordt aan werknemer een vergoeding toegekend van € 720.000 (uitgaande van een brutosalaris van € 20.000 per maand, 1 januari 1997 als datum indiensttreding en een C-factor van 1,5).