Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werkgever detacheert personeel met name in de bouw. Werknemer is sinds 2009 werkzaam voor werkgever. Op 26 september 2013 schrijft werkgever aan werknemer dat zij hem heeft betrapt op werk bij een derde (op vrijdag 13 september), terwijl werknemer zich had ziek gemeld bij werkgever. Daarop is het loon ingehouden en heeft werknemer een officiële laatste waarschuwing gekregen (een gele kaart). Op 5 mei 2014 heeft werknemer zich opnieuw ziek gemeld wegens rugklachten. De werkgever treft hem bij controle aan op een ander adres in een waadpak, in een vijver. Werknemer is direct op non-actief gesteld en daarna op staande voet ontslagen.
Het hof oordeelt als volgt. Evenals de kantonrechter acht het hof het op voorhand niet geloofwaardig dat werknemer een bevriende hovenier bij een betalende klant zou gaan helpen met werkzaamheden die vergelijkbaar zijn met zijn werk voor werkgever, maar zonder daarbij zijn rug te belasten en dat hij daarvoor slechts – zoals werknemer stelt – 25 euro benzinegeld zou hebben ontvangen, terwijl werknemer nog herstellende was en sinds 5 mei 2014 niet meer voor zijn eigen werkgever had kunnen werken. Het ontslag op staande voet is terecht gegeven, mede vanwege de eerdere – uitdrukkelijke – waarschuwingen van werkgever. Ook het verweer van werknemer dat het ontslag niet onverwijld is gegeven en/of dat hem niet onverwijld de dringende reden voor de onmiddellijke opzegging van het dienstverband is meegedeeld, slaagt niet. Werkgever heeft gesteld dat zij uit oogpunt van zorgvuldigheid eerst een onderzoek wilde instellen, alvorens een definitief besluit te nemen. Mits met de nodige voortvarendheid uitgevoerd, staat een dergelijk onderzoek er niet aan in de weg dat aan het criterium van de onverwijlde opzegging en mededeling als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW wordt voldaan (vgl. HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4436). De non-actiefstelling op vrijdag 23 mei 2014 maakte volstrekt duidelijk dat het werken voor een derde tijdens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid door werkgever als zeer ernstig werd aangemerkt. Te billijken is dat het onderzoek enige tijd vergde, zeker nu Hemelvaartsdag op 29 mei 2014 viel. Het gesprek op dinsdag 3 juni 2014 vond plaats op de zesde werkdag na de non-actiefstelling. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft werkgever het onderzoek daarmee met de nodige voortvarendheid uitgevoerd.
De aan werknemer verweten gedraging van het privé gebruiken van de bedrijfswagen (in april), telt niet mee, omdat deze gedraging reeds in mei bij werkgever bekend zou zijn en het ontslag pas in juni is gegeven.